De witte neger

Hij is 78. Het lopen kost hem moeite. Reumatiek. Hij heeft twee wandelstokken met prachtige zilveren knoppen. Sinds de vorige keer dat ik hem zag, is hij dik geworden. Maar hij heeft zijn vrolijk kwajongensgezicht bewaard, de lach en de ogen die je vertellen dat hij iets van plan is dat door de gevestigde orde niet zal worden goedgekeurd. Norman Mailer. Ik ben terug op school. Het zal me benieuwen wat er gaat gebeuren.

In 1957 was ik in Washington. Daar zag ik voor het eerst, op de televisie, een wedstrijd Catch, vrij boksen en worstelen. Een van de vechtersbazen was de beroemde Gorgeous George, een langharige reus die, vóór hij aan het eigenlijke werk begon, zijn tegenstander met insektenpoeder bestrooide. Daarna probeerden ze elkaar in het publiek te gooien. Een openbaring. De volgende dag kocht ik in een boekhandel een exemplaar van het linkse maandblad Dissent, vooral omdat ik het omslag mooi vond: geel-oker met veel zwarte letters. In dit nummer is het essay van Mailer The White Negro voor het eerst verschenen. Nog een openbaring. Het overkomt je een enkele keer: dat je iets leest, een zin, een pagina, een boek, en je ontdekt dat daar staat wat je altijd gedacht hebt zonder het zelf te weten. Zo ging het mij, pagina na pagina, met The White Negro.

Ongeveer een jaar later kwam ik terecht in San Francisco. Iemand had me verteld dat ik daar zeker naar de City Lights Bookstore moest gaan, een winkel die werd gedreven door de dichter Lawrence Ferlinghetti, die ook een uitgeverijtje had. Hoek Columbus Avenue, schuin tegenover de nachtclub waar Mort Sahl, een van de profeten van de zwarte humor en de sick jokes, zijn triomfen vierde. (Dit om u de geest van de tijd te schetsen). De boekhandel zag er goed uit; deed wat denken aan het antiquariaat van Hans Rooduyn in Amsterdam, de Spuistraat. Ferlinghetti was een aardige, spraakzame man. Ik vertelde hem over mijn bewondering voor het genoemde essay. Aha, zei hij. Kijk eens wat ik voor je heb! The White Negro, in offset als boekje uitgegeven. Het kostte een halve dollar, maar ik kreeg het cadeau. Door de jaren heen is het een van mijn kostbaarste papieren bezittingen geworden.

Deze week was Mailer in Amsterdam. Een zeldzaam gelukkig toeval, gepaard aan de gastvrijheid van een vriend, maakte dat we in diens huiskamer terechtkwamen, waar we rijkelijk te eten en te drinken kregen. Ik had The White Negro meegenomen. Wilde hij er iets in schrijven? Maar zeker! Hij schreef: To Henk. How well you've kept this book for forty-three years. Cheers! Norman Mailer. Zo wordt bewezen dat een mens ook door de bliksem van het geluk kan worden getroffen.

De volgende dag, na mijn kostbaarheid in veiligheid te hebben gebracht, begon ik er na jaren weer in te lezen. Een weerzien: met zinnen, hele alinea's die ik in mijn passieve geheugen had opgeslagen. In het bijzonder de passage waarin de schrijver tot de conclusie komt dat de brave burger verstrikt is geraakt in zijn namaak-paradijs van planning, socialisme, airconditioning, schuimrubber, deodorant, filtersigaretten, televisie `and all the other attempts of the sucker esprit to get something for no.' Het geheel heeft de toon waaruit je opmaakt dat het in één ruk is geschreven. Zo ziet de bladspiegel er ook uit. Lange, meeslepende zinnen, met een minimum aan alinea's, soms maar één per pagina.

Nu de beslissende vraag. Niet: hoe leesbaar is het gebleven, maar: hoe herkenbaar, hoe verstaanbaar? Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar toen moesten in het zuiden van Amerika de zwarten nog achterin de bus zitten, apart aan de lunchtoonbanken van Woolworth en in de benzinestations hadden ze aparte wc's. Het was de tijd van de sit-in's en de Berkeley Free Speech Movement. Om maar een paar dingen te noemen die we ons, als we ze niet hebben meegemaakt, niet goed meer kunnen voorstellen.

Maar de teneur van het essay is ook nog van deze tijd. De `sucker esprit' is voortdurend volop bezig, zoveel mogelijk for no te krijgen. De industrie die hem daarmee bedient, is gemondialiseerd, tot in het gigantische gegroeid. The White Negro is een meesterwerkje van essayistiek gebleven.

Waar zou ik mijn exemplaar opbergen? Het had tussen Max Stirners Der Einzige und sein Eigentum en de brieven van Gustave Flaubert, Haat is een deugd, gestaan. Geen slechte plaats. Maar het kan geen kwaad, af en toe te verhuizen (zoals ook The White Negro aanraadt). Terug naar het land van herkomst. Het staat nu tussen de tekst van Orson Welles' beroemde radio-uitzending The Invasion from Mars (1938) en het fameuze The Anarchist Cookbook van William Powell (1971). Bij een volgende gelegenheid zal ik de schrijver vragen of zijn White Negro van 1957 zich daar thuis voelt.