Het nieuws van 28 juni 2002

Stijl boven alles

Van met name Amerikaanse publieksfilmers wordt vaak terecht gezegd dat in hun amusementsfilms de verpakking belangrijker is dan de inhoud of, erger, dat die inhoud er helemaal niet is. In het vijandelijke arthousekamp lopen echter ook heel wat cineasten rond die werk afleveren waarvan men hetzelfde kan constateren. De koning van de visuele bombarie zonder geestelijke voedingswaarde heet daar Peter Greenaway, Brit van geboorte, officieel filmkunstpleger van professie en controversemaker met universitair eredoctoraat. Dat Greenaway nog nooit een film heeft gemaakt waarin de non-narratieve gekunsteldheid niet op des toeschouwers zenuwen werkte, wordt opvallend vaak door het filmkritisch journaille onder het tapijt geveegd. Veel erger is echter de emotieloosheid die 's mans bewegende postmoderne plaatjesboeken transporteren: het is sinds The Draughtsman's Contract (1982) zo goed als onmogelijk een binding van welke menselijke aard dan ook te krijgen met zijn werk, dat van een bijna imposante kilheid is. Weliswaar mag het een buitengewoon oeuvre van interessante beeldexperimenten worden genoemd, maar de adjectieven bizar, esthetisch en onbegrijpelijk vormen samen nog lang geen cinema. De door elkaar gehusselde halve ideeën, aanzetten tot een structuur, pseudo-intellectuele mono- en dialogen en opzichtig verbeelde bespiegelingen over dood en leven (en het verval daartussenin) zijn bij elkaar opgeteld nog geen halve film waardig. Zoals alle kunstenaars met topzware pretenties interesseert het Greenaway weinig wat men van zijn artistieke productie vindt; minzaam glimlachend pareert hij ieder verwijt over `stijl boven inhoud' met nietszeggende antwoorden die zo door een van zijn zielloze filmpersonages hadden kunnen worden gegeven.