Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Dol op in de rij staan

Bijna twintig jaar lang was Cox Habbema verbonden aan het Deutsches Theater in Oost-Berlijn. Ook als directeur van de Stadsschouwburg in Amsterdam stapte ze in het weekend nog geregeld in de trein om daar een rol te spelen. Wie een baan bij het Deutsches Theater had, had een baan voor het leven. Tot de muur viel. Toen werd ze, net als veel van haar vroegere collega's, ontslagen. Zo verdwenen voor heel wat Ossies niet alleen de oude scheidslijnen en een abject regime, maar ook veel zekerheden.

Over haar gemengde gevoelens over de manier waarop Oost en West nu aan elkaar zijn geklonken, heeft Cox Habbema een boekje geschreven. Het heet Mijn koffer in Berlijn en geeft – net als het liedje waaraan ze die titel ontleende – blijk van nauwelijks verholen heimwee. Naar de tijd toen er nog een duidelijke vijand bestond, en daardoor ook veel meer saamhorigheid, en toen het toneel nog van belang was. Zelfs in de rij staan voor moeilijk verkrijgbare artikelen – en dat was bijna alles – krijgt nog een gouden randje: `Ik was dol op in de rij staan. In de rij [...] leerde ik land en mensen kennen. Je ging eerst in de rij staan en dan vragen wat er te krijgen was.'

Mijn koffer in Berlijn is het fragmentarische – en schandalig slecht geredigeerde – relaas van een buitenstaander, die zich tijdens haar Berlijnse jaren thuis ging voelen tussen haar geestverwanten in het theater, maar er sinds de Wende weer buiten staat. Van binnenuit beschrijft ze hoe er vroeger moest worden gekozen tussen goed en fout, bijvoorbeeld als diverse vrienden als dissident naar het westen vertrokken en zij bij de achterblijvers bleef. `Voor de groep die ging waren wij de verraders, de lafaards, misschien zelfs de Stasi-informanten.' Maar waarom ze bleef, laat ze onvermeld. Natuurlijk was ze tegen het oude regime, maar zodra ze komt te spreken over de kritische vragen die het westen haar daarover destijds stelde, maakt ze zich er met een ironisch schouderophalen van af. Ach, wisten die lui veel – zoiets. Zij en haar collega's gaven het publiek tenminste een `beetje vrijheid om in het theater te kunnen gniffelen over hun eigen situatie'. Meer zegt ze over haar eigen motieven niet, en dat geeft haar verhaal iets ongrijpbaars.

Intussen weet Habbema wel overtuigend te vertellen over de ontreddering die veel vroegere Oost-Duitsers na de eenwording heeft bevangen, en over de manier waarop het westen hen – vaak zonder het zelf te beseffen – heeft vernederd. Zo zeer, dat allerlei oude contacten nu niet eens meer aan haar boekje wilden meewerken. Pas als er begin dit jaar een Berlijnse coalitie ontstaat van sociaal-democraten en vroegere communisten, en daarbij wordt gerept van `groter wederzijds respect', durft Habbema te denken dat er misschien toch nog een kans is op werkelijke eenwording.

Cox Habbema: Mijn koffer in Berlijn. Of het sprookje van de Wende. Van Gennep, 200 blz. E16,-