Johnny de Nul

`Welcome to my world' heette de documentaire, ik was er voor opgebleven. Manu Riche portretteerde in 1998 de Vlaamse wielerploegleider Paul de Baeremaker, alias `de Polle', in zijn biotoop, de wondere wereld van de Vlaamse kermiskoersen. Ik zag dezelfde man die twintig jaar geleden zijn Beatle-kop door het raam van zijn ploegleiderswagen stak, en rijdend langs het peloton, zijn renners uitschold voor rotte vis of nog vleiender. Zijn motivatiemethoden bleken, net als kapsel en aquariumbril, onveranderd. Riche toont ons de ploegleider van een bescheiden ploeg die gekweld wordt door tegenslag, geldgebrek, gebrek aan medische begeleiding, gebrek aan succes en een ontevreden sponsor. Theatraal blaast De Baeremaker de frustratie van zich af. Theatraal, want hij kent zijn lot: het is nu eenmaal geen vetpot in het kermiscircuit.

Liever stoppen met koersen dan afzakken tot het peil van een kermiscoureur, zo dacht ik er als jong professional over. En ik was niet de enige. Wij, de leden van een gerenommeerde wielerstal, beschouwden het Vlaamse kermiscircuit als de onderwereld. Daarin daalde je niet vrijwillig af. Er werd hels gekoerst tegen geringe verdienste. Onvermijdelijk ontving je wel eens een lijstje kermiskoersen van je ploegleider. Dan wist je genoeg: dit is een disciplinaire maatregel. Of een goedbedoelde stok achter de deur.

Vol ontzag denk ik terug aan Johnny de Nul. De Nul was midden jaren tachtig de koning van de onderwereld. Hij won eens dertig kermiskoersen in één jaar tijd. Dat gebeurde op heel eenvoudige wijze zoals ik eens mocht meemaken. Het startschot viel, De Nul zette zich op kop en bleef net zo lang sjorren tot er nog maar een handjevol coureurs in zijn wiel zat. Die schudde hij later van zich af. Deze man moet klassiekers kunnen winnen, en wereldkampioenschappen, verzuchtte ik toen ik stierf aan het tempo dat hij op kop ontwikkelde. Mij restte niets anders dan verveeld en versleten de koers uitzitten in een geklopt peloton. De Nul was het prototype van een kermiscoureur. Heel hard fietsen tot aan kilometer 150, dan is de benzine op.

Vaak heb ik me verbaasd over de hoeveelheid bier die tijdens de koers werd gedronken. Tijdens het laatste koersuur zag je ze elke ronde een bidon bier aannemen. Nee, geen Heineken, maar een goede trappist met grenadine. Later leerde ik het geheim hierachter kennen. Met een portie amfetamine verzekert men zich eerst van innerlijke zonneschijn, daarna voegt de alcohol een prettige verdoving toe. Ik kon het hun niet kwalijk te nemen. Wie geacht wordt drie, vier kermiskoersen per week te betwisten, kon wel een hartversterker gebruiken.

Amfetamine, bier, clenbuterol dat van de dierenarts betrokken werd, het behoorde tot de boeiende, armoeiige wereld van de kermiscoureur. De tekenen wijzen er op dat deze oervorm van het wielrennen aan het verdwijnen is. Net als de oervorm van de ploegleider die Manu Riche voor het nageslacht heeft weten te bewaren.

    • Peter Winnen