Morriën

De enige keer dat ik Adriaan Morriën zag optreden was een jaar of vijftien geleden. Op een zondagmorgen voerde hij in een Amsterdamse kerk ik meen de Mozes en Aäronkerk een openbaar gesprek met collega-dichter Maurits Mok. Er was bedroevend weinig publiek. De dichters leefden nog, maar ze leken al vergeten.

Ze deden alsof ze het niet merkten. Welgemoed en ernstig spraken ze over allerlei zaken des levens. Literatuur, oorlog, ouderdom. Ze waren oud, en misschien ook wel moe, maar nog niet doodmoe. Morriën sprak zoals ik me het had voorgesteld: met het lome laconisme dat ook uit zijn proza opklinkt. Ik ben in de eerste plaats altijd een liefhebber van zijn zinnen geweest: vloeiend, elegant, melodieus. Dat gaf zijn autobiografische proza, in combinatie met de soms opzienbarende openhartigheid, een heel eigen karakter.

In Lasterpraat schrijft hij over een bezoek in 1946 aan een bordeel in Parijs. Morriën kon heel zinnelijk vrouwen beschrijven, vooral als ze hem bevielen. Dat was het geval met `mademoiselle Alpacca', een mulattin. ,,Haar grote bruine ogen zien mij ernstig aan. Als zij zich even omdraait zie ik haar ronde billen, als een stel grotere borsten zonder tepels.''

Hij is zozeer van haar onder de indruk dat hij haar ook buiten het bordeel wil ontmoeten. Dat leidt tot een schitterend beschreven ontmoeting, een oefening in vergeefsheid. ,,Ik besef hoe wanhopig onze ontmoeting is en ook dat de wanhoop zich kan voordoen als vriendelijkheid, bereidheid dingen te doen die geen vervolg hebben.''

De herinnering eindigt aldus: ,,De volgende dag reis ik naar België terug. Zaterdagavond ben ik thuis. Zondagmiddag om een uur of twaalf wordt mijn oudste dochter geboren. Het is moederdag en Churchill is in de stad.''

Voor zulke fragmenten geef ik veel romans cadeau.

De toon van zijn zeer leesbare, literaire kritieken was doorgaans mild, maar hij kon ook keihard toeslaan. Er zijn weinig critici die zo venijnig over Hermans en Reve hebben geschreven. Hij vond Reve vastgelopen in ,,tot formules verstarde bespiegelingen over religie en seksualiteit''.

Hermans en hij waren eerst vrienden, toen vijanden. In De gruwelkamer van W.F. Hermans glijdt Morriën op het laatst uit in zijn rancune (,,hij is een fascistische desperado''), maar hij geeft ook inzichten in Hermans' karakter waar latere biografen moeilijk omheen zullen kunnen. Zoals dit: ,,Zijn haat is een gedisciplineerde haat, zijn wrok is een georganiseerde wrok, een wild beest dat hij in zichzelf houdt opgesloten en dat hij loslaat zodra hij zich bedreigd voelt.''

ALs dichter heeft Morriën geen grote erkenning gekregen. Toch heeft hij een aantal mooie gedichten gemaakt. Zie hier

Broederschap

Soms overvalt mij, alleen,

of in gezelschap, de angst

die ons allen verbroedert,

verbroedert en eenzaam, radeloos

maakt.

Ineens lijkt alles postuum:

de boom, en de bladeren aan de boom,

de verkleurende lucht, de geklede

mensen

en zelfs de verheven blankheid

van je zo innig bewonderde hals.