Lijkenpikkers

De drie WK-favorieten zijn aan flarden geschoten en liggen op nog maar één reanimatieronde van het universele condoleanceregister der gemiste kansen. Maar in het land der dwergen is nu al meer leedvermaak dan rouw. Niets leuker dan op een gevloerde reus met je schimmelnagels te gaan stampvoeten. Frankrijk, Argentinië en Italië – vooraf getipt voor de titel – hebben hun gedaantewisseling bijna volbracht: van jager naar prooi. In een dergelijk geval zie je meestal tussen de ambulances en zuurstofapparaten door de eerste maden uit de omliggende bosschages naar voren krioelen. Vergeten zijn de vleiende odes en dweperige stukjes vol ontzag over wilskracht, jeugdopleidingen of professionele uitstraling. Als de dwerg de dood ruikt, is hij niet meer te houden.

Dat zie je trouwens niet alleen in de sport. Laat een politicus aan de vooravond van een eclatante electorale overwinning in een mediapark tegen een paar kogels aanlopen en de bezemwagen der lijkenpikkers verschijnt al aan de horizon. Meestal stukjesschrijvers die in het lichaam in ontbinding gaan graaien om een vergeten column eruit te vissen die de intrinsieke slechtheid van de overledene moet bewijzen. En dat dag in dag uit. Een dooie kan toch niet meer terugbijten: je proza gaat er hooguit een beetje van stinken.

Toch is voorzichtigheid geboden. Fortuyn kan wel al meer dan een maand in een diep graf liggen, de drie eerder genoemde voetbalnaties hebben nog enkele dagen de tijd om uit het rijk der duisternis te stappen. En dan sta je plots met een bek vol tanden de schoenen van de reus te herpoetsen. Een WK is een kwestie van lange adem. Sommige ploegen groeien als clichés in het toernooi terwijl andere, die voortvarend aan hun klus waren begonnen, snel schrompelen tot nietige herinneringen. Hup Japan! Hup Korea!

Ik ben natuurlijk niet helemaal eerlijk in deze materie. Ook ik hoop af en toe stiekem dat door een teveel aan gevangen wind hoge bomen zich te pletter zullen crashen. Zo zit ik al drie jaar te wachten op een tovenaar die de fiets van reus Armstrong van lemen wielen zal voorzien en in zijn bevoorradingstasje een paar ampullen met kalfsbloed verstopt. Een mens is per definitie slecht en ik ben geen haar beter dan een mens. En als ik tijdens de vrouwenfinale van Roland Garros naar de zusters Jerommeke zit te turen is mijn verwensingklier vol met dodelijke krampen en spierscheurtjes. Dan kijk ik allang niet meer naar de bal, maar probeer ik bij close-ups het begin van een baardgroei bij Serena en Venus te ontwaren. Alles beter dan de oppermacht van de afgesproken einduitslag.

Er is natuurlijk nog veel meer. Want hoe streng doch rechtvaardig mijn oordeel is over de wanprestatie die favoriet Frankrijk tot nu toe heeft geleverd, mijn hoop blijft toch gevestigd op een geniale stuiptrekking van Zizou. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Eens een Franstalige chauvinist, altijd een Franstalige chauvinist. Gisteren nog belde ik mijn ouders in de riante Provence. Wat hebben we gelachen! Wat een knetterende bui aan misplaatste grappen over het seniorengangetje van Les Bleus. En wat een trots op onze zelfspot en ons relativeringsvermogen. Maar tussen de venijnige opmerkingen en denigrerende oneliners kon ik duidelijk het tandenknarsen van mijn vader horen, terwijl hij op zijn beurt de pijn van mijn boerenglimlach moet hebben gevoeld.

Om een beetje zuurstof aan onze komedie toe te dienen probeerde pa het over een andere boeg te gooien en vroeg hij hoe het was in het land van Oranje. Ik schrok. Nee, niet veel te melden. Geen oranje cafés, geen balletjes aan de antennes en ook geen voortuinen die als minivoetbalvelden zijn ingericht. De kleur grijs, lieve pa. Maar, onderbrak mijn vader, Hollanders zijn toch voetbalgek en ook al zijn ze er dit keer niet bij, ze zullen toch wel de hele dag over het WK kletsen? Ben je gek, zei ik, er kijkt geen hond naar die wedstrijden. Zelfs Frank de Boer zei het in Nieuwe Revu: `Ik blijf voor niet één ploeg thuis, ik heb vakantie.' Ach, zei pa, na de rouw komt toch altijd weer de hysterie.