`Invasiewet' is verwerpelijk

Nu de Amerikaanse Senaat uit weerzin tegen het Internationale Strafhof akkoord is gegaan met een wetsvoorstel dat militair ingrijpen in Nederland mogelijk maakt, is een felle afkeurende reactie op zijn plaats, vindt Hans van den Broek.

Het veiligheidsdenken in Washington neemt bizarre vormen aan. Het moge zo zijn dat de beperkte rechtsmacht van het Internationale Strafhof het sowieso onwaarschijnlijk maakt dat een onderdaan van de Verenigde Staten ooit voor dat Tribunaal in Den Haag wordt berecht, het maakt de door de Senaat aanvaarde `invasie-wet' niet minder verwerpelijk. Een per omgaand ontbieden van de Amerikaanse ambassadeur door onze minister van Buitenlandse Zaken had dan ook zeker niet misstaan. Overigens zouden alle bij het Strafhofverdrag aangesloten landen dat eigenlijk moeten doen.

Het gaat hier namelijk niet alleen om gebrek aan respect voor de internationale rechtsorde en het, naar de letter gesproken, dreigen met een oorlogsdaad, maar tevens om een aantasting van het morele gezag van de Verenigde Staten. Die verheffen hiermee, en niet voor het eerst, het recht van de sterkste tot hoogste rechtsnorm.

Die neiging is voor de enig overgebleven supermacht misschien niet geheel onnatuurlijk, maar in tijden van spanning niet zonder risico's. Meer dan ooit in het post-Koude-Oorlogtijdperk bestaat behoefte aan solide transatlantische betrekkingen om de nieuwe bedreigingen van onze gezamenlijke veiligheid door terrorisme en verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan.

Hetzelfde geldt voor het onderhandelen over duurzame vrede in het Midden-Oosten en voor het helpen zoeken naar oplossingen voor conflicthaarden in Azië en Afrika, waar gemeenschappelijke belangen en waarden in het geding zijn. Daarvoor is een klimaat van vertrouwen en samenwerking nodig. Dat wordt niet bevorderd door acties als het goedkeuren van deze `invasiewet'. Bovendien is dit voorafgegaan door een reeks van eerdere eenzijdige stappen, zoals het afwijzen van het Internationale Strafhof, het Protocol van Kyoto, het bouwen van een raketschild, en het treffen van importbelemmeringen.

Wij mogen en zullen niet vergeten wat er op 11 september in Amerika is gebeurd, en steun voor krachtige en internationaal goed- gecoördineerde veiligheidsmaatregelen moet ook in en door de Europese Unie politieke handen en financiële voeten worden gegeven. Maar het kan niet bij symptoombestrijding blijven. Met name in de strijd tegen het terrorisme mogen we van de VS ook leiderschap in de tweede dimensie verwachten, dat wil zeggen dat parallel aan de strijd en verdediging tegen de terreur ook voedingsbronnen daarvoor, zoals onrecht en armoede, een meer zichtbare plaats krijgen in het Amerikaanse beleid.

Zo zal in het Israëlisch-Palestijnse conflict nimmer een einde aan het geweld komen voordat het onrecht van de bezetting en het nederzettingenbeleid wordt beëindigd. Die erkenning betekent geen goedkeuring van het geweld, maar wel het erkennen van een belangrijke oorzaak. Het valt overigens de EU te verwijten dat zij die oorzaak wel erkent, maar daaraan tot dusver geen andere dan verbale oproepen en aanmaningen verbindt.

Voor wat betreft de `invasiewet' rest slechts de conclusie dat deze maatregel van onze belangrijkste bondgenoot een betreurenswaardige stap is, die de toch al wat belaste transatlantische verhoudingen geen goed doet. Het binnenlandse `voordeel' voor de Amerikaanse regering van dit vermoedelijk totaal overbodige wetsvoorstel steekt wel erg pover af tegenover de negatieve effecten op het internationale vlak. Hopelijk kan het Huis van Afgevaardigden het tij nog keren.

Hans van den Broek is oud-minister van Buitenlandse Zaken.