Niet de bomen maar het bos

De bomen leven nog vrolijk verder, maar zure regen veroorzaakt wel degelijk veel schade aan de ondergroei in het bos. Eens komt er een eind aan de buffers in de bodem.

Het Nederlandse bos heeft de eenentwintigste eeuw gehaald. Dagjesmensen en vakantiegangers die de afgelopen weken de Nederlandse bossen opzochten, konden zelf vaststellen dat de bomen er beter bij staan dan ooit tevoren. Sparren en dennen hebben de naalden vastgehouden, eiken en beuken staan in volle bladertooi.

Twintig jaar geleden had niemand durven denken dat het zo goed zou aflopen. Bernhard Ulrich had net bekend gemaakt dat de bodem onder stervende bossen die hij had onderzocht zwaar verzuurd was en dat de bomen het slachtoffer werden van aluminium-vergiftiging. In andere delen van Duitsland en Europa zou hetzelfde gaan gebeuren, voorspelde hij. De Duitse emotionele binding met het woud deed de rest en de paniek sloeg makkelijk over naar de buurlanden.

Het Nederlandse ministerie van VROM begon in maart 1985 een dramatische zure regencampagne. Bossen, maar ook vennen en cultuurmonumenten zoals de Sint Jan in Den Bosch, zouden ten onder gaan als er niet gauw iets gebeurde. Ook milieu-activisten lieten zich niet onbetuigd: ``Eerst de bossen - straks de kinderen''. De burger kreeg de stuipen op het lijf gejaagd, maar vernam niet wat hij zelf kon doen om het tij te keren.

Nu, twintig jaar later, wordt het Waldsterben bijna als het Waterloo van de milieubeweging beschreven. De regen was altijd al zuur, betoogt de bejubelde Bjørn Lomborg, auteur van `The skeptical environmentalist' (eind vorig jaar bij Cambridge University Press verschenen). De bossen groeien beter dan ooit en zullen dat blijven doen, uitputtend onderzoek in de VS heeft nauwelijks schade kunnen aantonen. In Scandinavië zijn wat meren en beken verzuurd, maar daar is het herstel al in volle gang. Lokale aantasting van de natuur door industriële activiteit is van alle tijden. En wat Ulrich zag, was zo'n lokaal effect: rookschade. Rauchschäden. Ulrich heeft zelf erkend dat hij ernaast zat met zijn `ecologisch Hiroshima'.

Was de paniek in 1982 en de jaren daarna volkomen misplaatst? Bosbouwkundige prof.dr.ir. Frits Mohren van de Landbouwuniversiteit Wageningen vindt van niet. ``Achteraf heeft het iets van een hype, maar Ulrich had een goed verhaal. We waren allemaal onder de indruk. Dat een sterke bodemverzuring tot het vrijkomen van gevaarlijke hoeveelheden aluminium zou leiden, klonk aannemelijk. We realiseerden ons dat de Nederlandse bossen vooral op kwetsbare, arme zandgronden staan. Toen we in Nederland gingen kijken vonden we ook zwaar aangetaste naaldbomen. In de directe nabijheid van varkenstallen was ammoniakschade.''

Toch hebben Wagenings onderzoekers altijd afstand gehouden van uitspraken over de `vitaliteit' van het Nederlandse bos. Mohren ``De vitaliteitsmetingen die in 1984 begonnen, werden aanleiding tot paniekverhalen. Maar de blad- en naaldbezetting die de doorslag geeft in de meting is een moeilijke variabele. Als naaldbomen alleen de oude naalden afwerpen kunnen ze een dunne kroon hebben en toch goed groeien.'' Ook bleek dat uitspraken over de `vitaliteit' afhingen van het bureau dat werd ingehuurd om de vitaliteit te meten. De meting was nogal subjectief.

Mohren: ``Er wàs serieuze zorg. Maar achteraf weten we dat de bossen van het Ertsgebergte blootstonden aan extreem hoge SO2-concentraties. Het was een direct effect en niet zozeer de bodemverzuring. We weten nu dat bossen ook zelf de bodem verzuren. En dat bomen veel dynamischer zijn dan we dachten, ze reageren. De verzurende depositie werkt niet cumulatief.''

waldsterben

De Wageningse bodemkundige prof.dr.ir. Nico van Breemen heeft veel onderzoek gedaan aan de verzurende depositie en zijn effect op de bodem. Van Breemen: ``Ik ken Ulrich goed, hij is zeer consciëntieus en was destijds overtuigd van zijn `Waldsterben'. Bij zijn afscheid heeft-ie wel toegegeven dat hij het misschien verkeerd gezien heeft. Maar ik ben toch geneigd zeer voorzichtig te zijn. De bodem hier is werkelijk extreem verzuurd en we weten eigenlijk niet waarom dat zo is. Het is aangetoond dat de boomwortels er schade van ondervinden, waardoor de kwetsbaarheid van bomen voor droogte of mineralen-gebrek kan toenemen. Maar toch lijken de bomen niet erg te lijden onder de verzuring.''

Van Breemen schreef onlangs het commentaar bij een artikel (Nature, 24 januari 2002) waarin de stikstofhuishouding van nog onverstoorde, onvervuilde gematigde bossen in Chili wordt geanalyseerd. De conclusie is dat de stikstofhuishouding van de Europese bossen volledig wordt bepaald door de onbedoelde stikstofbemesting (via NOx en NH3) waaraan die bossen al een eeuw bloot staan. Wat hier de natuurlijke bodemsituatie is, is eigenlijk onbekend.

Van Breemen: ``Vast staat dat de bodem hier veel van zijn buffercapaciteit heeft verloren, dat er sprake is van een voortschrijdende verzuring en verlies aan basische kationen. Als er niets verandert moet dat op den duur fout gaan. Zoiets als de ontdekking van Jaap Graveland dat legsels van koolmezen mislukken omdat koolmees-wijfjes niet aan voldoende slakkenhuisjes kunnen komen voor hun calcium-voorziening (Nature, 31 maart 1994) vind ik zeer verontrustend. Het blijkt dat verzuring op heel onverwachte plaatsen kan doorwerken.''

``Nee, het Waldsterben is hier nooit gekomen'', zegt dr. Jan Roelofs, aquatisch ecoloog van de Universiteit Nijmegen. ``Maar dat hebben Van Breemen, Mohren en ik ook nooit voorspeld. Het waren het RIVM en het ministerie van VROM die beweerden dat grote delen van het bos niet meer te redden waren. Maar het zag er omstreeks 1980, toen wij het ammoniak-effect ontdekten, ook inderdaad dramatisch uit. De Corsicaanse den, de grove den en de Douglas spar gingen massaal ten onder aan schimmelinfecties. Wat mensen vergeten is dat er sindsdien goede maatregelen zijn genomen, de uitstoot aan SO2 is meer dan gehalveerd. Verder is duidelijk geworden dat onze meest algemene boom, de grove den, wel een stootje hebben kan. Je moet veel doen om hem dood te krijgen''.

Toch vindt Roelofs het rumoer dat het ministerie van VROM begin jaren tachtig maakte `bepaald niet te zwaar aangezet'. Er werd immers buiten de bossen ook veel verzuringsschade gevonden. Korstmossen hadden te lijden, paddestoelen verdwenen, heide vergraste, schraallanden en duinen gingen achteruit. ``Wij ontdekten eind 1981 de grote schade die verzuring van oppervlaktewater aanrichtte. De kalkarme vennen met hun bijzondere flora bleken zwaar aangetast. Dat bericht haalde de voorpagina van de Volkskrant en bracht een enorme schok teweeg.''

Ir. Ronald Albers van het RIVM, nauw betrokken bij de evaluatie van het verzuringsbeleid: ``Er is begin jaren tachtig een stringent beleid ontwikkeld omdat gevreesd werd dat vooral de uitstoot van SO2 geweldig zou gaan stijgen. Nederland maakte een economische crisis door en veel SO2-maatregelen dreigden te worden uit- of afgesteld. Ook zou het voorgenomen diversificatiebeleid van EZ tot extra kolenstoken leiden. Uiteindelijk is het SO2-beleid een groot succes geworden. De doelstellingen voor beperkingen van NOx-uitstoot worden minder makkelijk gehaald en met NH3 worden nauwelijks vorderingen geboekt.''

soortenarm

Toch is, meent Albers, de zure depositie al zover afgenomen dat de boomgroei nauwelijks meer geremd wordt. Zelfs wordt de groei hier en daar gestimuleerd. Zoals hij het zegt: ``Met de bomen gaat het goed, maar met het bos nog niet''. De ondergroei van veel Nederlands bos is erg soortenarm geworden door het binnendringen van stikstof-minnende of aluminium-tolerante planten. Door vermesting of echte verzuring dus. Om dat effect tegen te gaan zouden de emissies nog een stuk moeten zakken. Er is de wens om het beleid en het vaststellen van critical loads (zie kader) te gaan afstemmen op het behoud of herstel van biodiversiteit.

Moet Nederland zich druk maken om de ondergroei van bossen die sowieso stuk voor stuk geheel kunstmatig zijn? Heeft de recreant eigenlijk last van meer of minder gras, bramen en brandnetels in zijn parkbos? ``Wat is dat nu opeens voor sectarisch standpunt'', bromt Mohren. ``Het Wereld Natuur Fonds beweert ook altijd dat alleen de spontane wilgenopslag op zandplaten in de Maas natuurlijk bos zijn. Je mag toch prijs stellen op een meer natuurlijke ondergroei in het bestaande bos dan een dichte grasmat?''

Of de biodiversiteit in de bossen zich spontaan herstelt valt nog te bezien. Voor de hand ligt het herstel te versnellen met een compenserende bemesting - remedial fertilization. Met bekalking dus, al is daar in het buitenland niet erg gunstige ervaring mee opgedaan. ``Bekalking lijkt mij levensgevaarlijk'', zegt Van Breemen, ``dan zet je de hele boel op zijn kop.'' Toch dringen belangengroepen in Scandinavië erop aan de productiebossen daar op grote schaal te gaan bekalken, maar dat is vooral met het oog op de houtproductie.

Ook Roelofs ziet geen noodzaak tot bosbekalking in Nederland. De meeste bossen stonden al op licht verzuurde bodem, als de depositie afneemt komt het herstel vanzelf. Maar elders in Nederland wordt de natuur in het kader van het `Overlevingsplan bos en natuur' (OBN) wel een handje geholpen. Heide wordt afgeplagd en vennen worden uitgebaggerd en voorlopig voorzien van schoon water uit de diepe ondergrond of een naburige beek. Het succes is opmerkelijk: de oude bijzondere flora keert vanzelf terug. Trouwens ook buiten het OBP-programma treedt spontaan herstel op: met korstmossen en paddestoelen gaat het heel voorzichtig weer de goede kant op. Jeneverbessen verjongen zich weer.

Roelofs is `gematigd optimistisch' over de goede afloop, vooropgesteld dat het anti-verzuringsbeleid intact blijft. Dat zal vooral inspanningen en offers eisen van de veeteelt en het vrachtverkeer. Er moeten NH3-arme stallen komen of de omvang van de veestapel moet flink terug. Aan de NOx-productie van dieselauto's valt voorlopig nog weinig te doen.

Zoveel is wel duidelijk dat het er in 1982 werkelijk heel dreigend uit. Het ingezette beleid was nodig en bleek nuttig. Niet alleen binnen maar ook en vooral buiten de bossen was sprake van grote verzuringsschade. Ook in de VS was de schade trouwens groter dan Bjorn Lomborg het doet voorkomen. Hij maakt een karikatuur van de commotie rond de zure regen en het `Waldsterben'. In feite heeft de opwinding nog geen tien jaar geduurd.