Hoe eet je menu no. 8

De afstand tussen Nederland en de Verenigde Staten is, uitgedrukt in eenheden lifestyle, waarschijnlijk nog nooit zo gering geweest. Hoe kan het ook anders nu we commerciële tv hebben, Amerikaans vloeiend wordt gesproken, een jaartje uitwisseling doodnormaal is geworden voor studenten, en we elke zomer met de camper langs motels en ijsmachines trekken. Zelfs ons nieuwste rouwritueel – het kringsgewijs huggen van betraande jongeren of hulpverleners – zal de kijker van Amerikaans tv-nieuws bekend voorkomen.

Toch blijft Amerika voor ons een vreemd land. De Amerikaanse combinatie van prestatiegericht individualisme en hechte gemeenschapszin is hier onbekend, of de paradoxale wisselwerking tussen ingebakken argwaan van overheidsinstituties en ongekende sociale controle. Integendeel. Zodra het burgerlijke `doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' hier slijtage begint te vertonen, wordt de toon maar al te vaak direct gezet door het andere uiterste, het vrijgevochten duo opgeheven middelvinger en grote bek.

Journalist Martijn de Waal (1972), die als 16-jarige scholier een jaar bij een gastgezin in de staat Colorado verbleef en sindsdien regelmatig naar het land terugkeerde, beschrijft Amerika in Toets 1 voor het paradijs met volle aandacht voor die blijvende eigenaardigheden van het land: van de IT-goudkoorts in het Californische Silicon Valley tot de snel groeiende homogene suburbs, en de collectieve zucht naar bijzonderheid op zijn oude Ignacio High School in Colorado. Met de mengeling van verbazing en bewondering die eigen is aan goede Amerika-watchers verslaat hij onder meer een pep-rally met scholieren die op tafel moeten springen onder de uitroep `I am somebody special', het neo-hippie festival Burning Man (ook in deze krant tweemaal verslagen), het claustrofobisch comfortabele leven in gated communities en zijn geworstel met de fastfood-industrie, in concreto het Combomenu nummer 8 van Kentucky Fried Chicken. Het zijn misschien standaardscènes voor de nuchtere Amerika-reiziger, maar De Waal weet er iets verfrissends van te maken door de niet-dogmatische toon die hij deelt met schrijvende generatiegenoten (zie bijvoorbeeld het boek van Joris Luyendijk over Egypte, Een goede man slaat soms zijn vrouw, in dezelfde reeks). Zijn stijl is prettig onderhoudend, hij heeft een goed oog voor sfeer en details, heeft de betere boeken over het land gelezen (van Robert Kaplan An Empire Wilderness tot Jean Baudrillards Sideraal Amerika) en is eerlijk genoeg om te erkennen dat hij zelf ook `de voorgeprogrammeerde glimlach verkiest boven authentieke ongeïnteresseerdheid'. Hinderlijk zijn de vele, krampachtige verwijzingen naar 11 september, kennelijk om het boek na die rampzalige datum extra urgentie te geven. Ze steken vreemd af bij de extravagantie die De Waal elders beschrijft. Bovendien heeft deze auteur de wereldpolitiek helemaal niet nodig voor een goed boek. Hij houdt zijn ogen al genoeg open.

Martijn de Waal: Toets 1 voor het paradijs. Podium,198 blz. E16,–