Nederland is heel leeg

De nalatenschap van de timmerman en fotoamateur Jacob Olie (1834-1905) blijft een bestseller. De uitgaven van zijn eind-19de eeuwse Amsterdam-in-foto`s vlogen de afgelopen jaren over de toonbank, mede dankzij een tentoonstelling in het hoofdstedelijke Gemeentearchief. Uitgeverij De Verbeelding heeft nu weer een selectie gemaakt: latere, niet eerder gepubliceerde opnamen van Amsterdam en wijde omstreken, gezien door iemand die deed alsof hij alles voor het eerst zag.

Het is een kleiner, maar mooi boekje geworden, doordesemd met topografisch sentiment. Enkele plekken herinnerden me aan een Hongaars dorp van nu; met één straat, één café en één bushalte, vanwaar ook maar één bus één keer per dag naar `de échte wereld' hobbelt. En dat is een stadje met een markt, een ijzerwarenwinkel en een champagne-bar waar de dorpelingen zich vanaf acht uur 's ochtends al moed indrinken.

Het `Hongaarse' zit 'm bij Olie in het dorpse karakter van elk Amsterdams stadsgezicht. Burgerij, verkeer en gevelrijen – bladzijde na bladzijde dwaalt het oog door een filmdecor waarvan de laatste figuranten maar geen afscheid kunnen nemen. Of is het de toeschouwer zelf die de tijd wil stilzetten, als bij de blik van een geliefde?

Het is zomer, de bomen dragen volle kruinen op het Rembrandtplein, en de kruiers van hotel Mille Colonnes hebben nog geen benul van wat een buslading toeristen is. Op een hoek van de Reguliersbreestraat staan een paar Breitneriaanse `waspitten' te roddelen en alle passerende wandelaars lijken nog op de vader van Olivier Bommel. Je zou bijna de pestherrie van de lege paardentram vergeten, die midden op datzelfde Rembrandtplein model staat te staan voor het eeuwige deficit van het openbaar vervoer.

Olie was verlegen. `Men kan nu eenmaal gemakkelijker aan bekenden vragen een poosje bewegenloos te blijven staan dan aan vreemden', vond hij. Bij de Sloterweg doet een dienstmeid bukkend de was langs een watertje. Ze kijkt van haar houten emmers op, recht in de camera. Misschien had Olie haar toch zomaar voor deze pose durven aanspreken. De bijbel zei het al: `Hij die zichzelve overwint, is sterker dan wie een stad inneemt.'

Eenmaal buiten Amsterdam – bij de opwaaiende kinderrokjes op het herfstige strand van Wijk aan Zee, het schaduwrijke lommer van de Beemster en bij de bezige klompenmakers van Abcoude – is er geen ontkomen aan. Een mens wordt een meetpunt in het vlakke land, tenzij je hem dicht nadert. Olie moest zijn schulp dus uit, maar menig close-up zou zijn schroom weerspiegelen, zo stokstijf als men in de provincie voor hem model stond.

Van de tachtig opnamen is die van de Amstelveenseweg het meest `Hongaars'. Een weg zonder voetpad en zonder eind, het gebladerte wiegt en wuift, links en rechts verschuilen zich een paar oude hoeven. Een enkele fietser verdwijnt aan de horizon – niet op weg naar een champagnebar, maar naar wat eigenlijk? En verder gebeurt er niets. Holland is leeg, er heerst pais en vree.

Jacob Olie: Amsterdam en omstreken – foto's 1890-1903. De Verbeelding, 88 blz. E18,90