`John Donne wist mystiek en cynisme te verenigen'

Jan Eijkelboom staat dit jaar centraal in het vertaalproject van Poetry International. Het verlangen te vertalen overviel hem bij John Donne.

Vorig jaar publiceerde de dichter en poëzievertaler Jan Eijkelboom (1926) Het Krijgsbedrijf, waarin hij – in proza – zijn ervaringen tussen 1945 en 1950 beschreef, de jaren dat hij in het Nederlandse leger in Indonesië diende. In 1950, op het troepenschip naar huis, kreeg hij ineens een tijdschriftje in handen. ,,Als gymnasiast had ik alles gelezen wat los en vast zat, maar tijdens mijn vijf jaar in militaire dienst had ik nooit meer iets gelezen. Ik weet niet precies waarom. Het leger was te fysiek denk ik, je was met andere dingen bezig. Op het schip, ik zat aan dek, was er ineens dat tijdschriftje. Argosy heette het, Schots was het, iets kleiner dan A4-formaat, met foto's en cartoons en plaatjes erin. En een gedicht van John Donne, `Epithalamion made at Lincolnes Inne'. Ik vond het prachtig. Vooral de herhaling van die ene zin aan het eind van elke strofe: `To night, put on perfection and a womans name.''

Mededeelzaamheid, zegt Eijkelboom, is als dichter en vertaler zijn drijfveer. ,,Je wilt iemand laten horen hoe mooi iets is.' In zijn latere leven vertaalde Eijkelboom het werk van W.B. Yeats, Emily Dickinson, Craig Raine, Philip Larkin en Derek Walcott. Maar het verlangen om een gedicht te vertalen en het zo dichterbij zichzelf en anderen te brengen, overviel hem voor het eerst bij die `huwelijkszang' van Donne, feestelijk en weemoedig tegelijk. Fragmenten uit zijn vertaling nam hij op in een bundel met Donne-vertalingen die in 1988 verscheen:

Reeds heeft zich d'avondster verheven,

Zou ònze Venus zich dan niet begeven

Naar haar diep bed? Laat dus, o muzikanten,

Uw snaren wat met rust; en dat de kring

Van dansers word' ontbonden, want

oefening

Baart kunst maar doet de lust verzanden.

Gij, en niet gij alleen maar alle moede dieren

Gaan nu terust; 's nachts zijn hun lasten licht,

't Werk is dan niet verplicht;

Op bed gaan zij verfijnder feesten vieren.

Hier gaat een maagd die, van geen terugkeer wetend,

Vannacht volmaakt wordt, en dan vrouw mag heten.

,,Vrouwvriendelijk is het misschien niet direct,' zegt Eijkelboom, ,,Maar zo voelt het wel. Een grote verering zit erin, en dat raakte mij. En die verering is altijd gebleven.'

Donnes `Epithalamion' was een van de redenen dat Eijkelboom na terugkeer in Nederland Engels ging studeren. ,,Op de middelbare school had ik heel slecht Engels gehad. Ik was meer Frans georiënteerd, las Verlaine, Rimbaud – proza heeft me nooit zo gelegen. In het leger heb ik me Engels pas goed eigen gemaakt, en dat gedicht gaf de doorslag. Ik ben dus Engels gaan doen, maar ben daar later weer mee gestopt omdat ik allerlei vreemde bijvakken moest volgen, gotisch en zo. Daar zag ik het nut niet van in.'

Eijkelboom zwaaide om naar politicologie en werd journalist. Pas later keerde hij weer terug tot het vertalen. ,,Ik ben begonnen bij Van Oorschot, met tien liefdesgedichten en drie preken van Donne. Pas later kwam ik erachter dat Donne ook godgeleerde was geweest, en deken van St. Paul's Cathedral. In 1955 ben ik samen met Jan Emmens, mede-student Engels en later ook collega-dichter, naar Saint Paul's gegaan. Daar staat een marmeren beeld van Donne, gemaakt naar het schilderij dat hij op zijn doodsbed liet vervaardigen, in zijn doodskleed, staande op zijn urn – zoals hij uit zijn graf zou rijzen tijdens het Laatste Oordeel. Heel treffend. We konden het beeld niet vinden, Emmens en ik, en een koster bracht ons erheen. `John Donne, he was a mystic and a cynic', zei die man. Dat is het precies, vind ik. Donne weet die twee tegenstrijdige zaken in zich te verenigen.'

John Donne (1572-1631) verzaakte zijn kansen op een maatschappelijke loopbaan toen hij in 1601 in het geheim trouwde met Ann More, de dochter van een landheer uit Surrey – hij kwam er zelfs even voor in de gevangenis. Hij werd geboren als katholiek, maar bekeerde zich later tot de Anglicaanse kerk en doorliep een indrukwekkende religieuze carrière. Zijn preken waren in zijn dagen al beroemd. Constantijn Huygens, vertelt Eijkelboom, maakte zo'n preek mee en noemde Donne ,,onvergetelijk op de stoel'.

Donne geldt als de grootste dichter van zijn dagen. Nog altijd laat hij zich lezen als een moderne dichter; in spreektaal als het ware, met filosofische verwijzingen zo goed als huiselijke beeldspraak, speelse gedichten over vrouwen van vlees en bloed, ernstige over zijn strijd om vorm te geven aan zijn geloof, over zijn houding tegenover de dood. ,,Cynisme, mystiek en ook nog lyriek', zegt Eijkelboom. ,,Gegrepen worden en de lucht ingaan. Donne is echt, levendig, invoelbaar. Zowel in zijn preken als in zijn erotiek. Bij hem sluiten liefde en religie elkaar niet uit; de Victoriaanse tijd moest nog aanbreken, tenslotte.'

,,Mijn vader was een bonder, lid van de Gereformeerde Bond in de hervormde kerk. Hij was een schat van een man, maar uiterst orthodox, en hij ging daar ook onder gebukt. Zelf heb ik het geloof op mijn veertiende al gelaten voor wat het was, maar de mystiek niet. Ik heb, zoals Martin Ros dat zo mooi noemt, zo mijn bevindingen. Dat je op straat loopt en opeens overvalt je iets wat je alleen maar kan omschrijven als een boodschap van het hogere.

,,Donne's werk wekt altijd de illusie van een grote natuurlijkheid, terwijl het heel knap in elkaar zit. Dat is vaak de grote vergissing waar het dichters betreft. Vaak heerst over poëzie het idee: als het gevoel goed is, is het gedicht ook goed. Maar daar is niets van waar. Je moet heel scherp op jezelf letten, waken dat dat gevoel niet met je op de loop gaat, en ervoor zorgen dat het gedicht als nieuw klinkt. Zelf ben ik geen taalvernieuwer. Toch streef ik er met elk gedicht weer naar, iets zo te zeggen alsof er nooit eerder een gedicht is gemaakt.'

Hij pakt een gedicht uit de map met getypte velletjes die voor hem ligt. `Geschiedenis', over zijn tijd in Indonesië. Een van de strofen luidt: `Ik luister soms wel naar oude verhalen/ die ik zelf soms vertel met de lichte verbazing/ die het zware van vroeger teniet doet.' Beheersing, afstand, transparantie, overgoten met lichtheid. Dat is het streven, en heel in de verte is dat een erfenis van Donne.

Jan Eijkelboom debuteerde in 1979 met eigen gedichten; de bundel Wat blijft komt nooit terug. Inmiddels heeft hij zes bundels op zijn naam. De zevende, Heden voelen mijn voeten zich goed, verschijnt komende week, tegelijk met zijn verzamelde gedichten: Tot zo ver. En of het niet op kan, staat hij ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag centraal in een van de programma's van het festival Poetry International, dat 15 juni begint. Nadat hij jarenlang voor Poetry vertalingen leverde van gedichten, worden nu zijn gedichten in een groot aantal vertalingen ten gehore gebracht. Het klinkt misschien onlogisch, maar hij is er niet gerust op. ,,Ik ben nu toch een beetje bang dat mij iets afgenomen wordt, terwijl ik altijd heb geroepen dat een goede vertaling iets toe kan voegen aan een gedicht. Inderdaad, consequent is dat niet.'

John Donne: Liefdesgedichten, heilige sonnetten en preken. Vertaald door J. Eijkelboom. De Arbeiderspers. (uitverkocht)