Geluk als rente

`De enige levensvraag waarmee hij worstelde was of geluk te koop was', zegt verteller Titus Olieslager over zijn gestorven oom in Grafschrift voor oom Remmelt, het debuut van Paul Alexander (1967). Interessante vraag, eenvoudig antwoord (nee) en de volgende slotsom: `Lang zal ik niet in de herinnering van de mensen voortbestaan [...] Slechts mijn kapitaal zal blijven voortbestaan. En als de koersstijgingen aanhouden zal mijn kapitaal voorlopig alleen maar toenemen.' Dat die visie niet zo illusieloos is als je in eerste instantie zou denken, blijkt in het vervolg van het boek. Daarin blijkt geluk even eenvoudig binnen te kunnen stromen als geld voor een rentenier.

De broers Titus en Sam Olieslager verdelen de erfenis op karakterologische gronden: Titus de fauteuil, Sam de verzamelde werken van Freud. Want Titus is de twijfelaar en Sam de wat burgerlijke regelaar, samenwonend met vriendin en twee katten, in het bezit van talloze recepten voor courgettesoep en altijd bezig een meisje voor zijn broer te zoeken. Titus, intussen, wacht af in zijn leunstoel. Hij eet toastjes met smeerworst, gaat in bad bij zijn bovenbuurman (een gek), spreekt geregeld zijn moeder in haar stacaravan, past op het huis van zijn broer, kijkt zwijgend televisie met diens mooie buurmeisje en bezoekt regelmatig enige vrienden. Welkom in studentikoos Amsterdam, een halve eeuw na De Avonden, komisch beschreven met een goed gevoel voor alledaagse absurditeit.

Grafschrift voor oom Remmelt zit vol aardige mensen, die zich aandoenlijk klooiend door een levensfase werken waarin verveling nog de voorbode van iets groots kan zijn. Dat geldt bijvoorbeeld bij Cavalier, een student die zich voor werkelijk alles zegt te interesseren: de inhoud van de wasmand van Titus' broer Sam, Titus' onvermogen om te fluisteren en de seksuele gedachten van bejaarden. Kortom, het soort idioot dat iedereen graag af en toe in de buurt wil hebben. `Mijn probleem is dat ik van alles de schoonheid inzie. Mijn probleem is dat ik niet zonder esthetiek kan. Mijn probleem is dat ik drama nodig heb.' Daartegenover staat dat deze Cavalier zich vaak op zijn kamer terugtrekt en de buitenwereld negeert. Hij is het soort romanfiguur waarvan je op het einde verwacht dat hij de schrijver blijkt te zijn.

In de beschrijving van Cavalier buit Alexander zijn droogkomische toon goed uit, net als het effect van herhalingen. Dat doet hij ook als het gaat om Nina Perlinqvist, wier openlijke reflectie bestaat uit het steeds maar weer noemen van enigszins verwante ondeugden. `Ik heb twee slechte eigenschappen: Ik vergeet soms dingen en ik ben impulsief'. Of: `Ik ben lui, ik ben slordig en ik handel niet naar mijn geweten, maar naar mijn gevoel'. Op dezelfde wijze beschuldigt Titus' bovenbuurman hem steeds weer van diefstal tijdens het baden. Een paranoia die de voorbode blijkt van een religieuze waanzin die deze man uiteindelijk in het gesticht brengt (`Ik krijg nooit bezoek [...] alleen van twee mensen die zich mijn ouders noemen').

Tegenover de lucht die Alexander zo in zijn verhaal pompt, staat dat vrijwel iedereen geleidelijk door zwaarmoedigheid wordt overvallen. Terecht zegt Titus' moeder zich zorgen te maken om Sam, en hij om haar, en om zijn broer en hij om hen beiden. Titus zelf spreekt regelmatig van wanhoop, er wordt met steeds minder smaak gegeten en gedronken en het zwijgen in gezelschap wordt steeds uitdrukkelijker tot kunst verheven.

Helaas zakt het boek daar langzaam weg: het verliest snelheid en de herhalingen zijn niet komisch meer. Het slot van het verhaal is een zege voor de illusieloze filosofie van oom Remmelt: Titus vindt zichzelf plotseling terug in de armen van de mooie Laura Renzo (`Sam zei dat ik je een groot plezier kon doen door je te kussen'), maar de spanning is dan al uit Grafschrift voor oom Remmelt weggesijpeld. Het gebrek aan interesse voor zijn omgeving dat Cavalier de verteller al eerder voor de voeten heeft geworpen, lijkt kritiek op het hele boek te worden: `Alles laat jou koud. Jij hebt geen hart voor dat soort dingen. Waar het jou aan ontbreekt, is passie.' Grafschrift voor oom Remmelt wordt door de uitgeverij aangeprezen als een tragikomische roman. De passie zal bij Alexander evenzeer onderhuids zitten als bij zijn hoofdfiguur, maar die had meer aan de oppervlakte moeten komen om de tragiek in deze komedie werkelijk voelbaar te maken.

Paul Alexander: Grafschrift voor oom Remmelt. L.J. Veen, 158 blz. €12,50