Boegeroep bij verkrachting in `Irréversible'

Controverse in Cannes: de nieuwe film van provocateur Gaspar Noé is even extreem naar vorm als naar inhoud, en zorgt voor een ervaring die in de bioscoop nog niet eerder te beleven was.

Twee dagen voor het einde van het 55ste Festival van Cannes is er dan toch nog een film in competitie die schandaal en controverse oproept, verguizing maar ook bewondering. Het viel te verwachten dat Irréversible van de in Argentinië geboren Franse regisseur Gaspar Noé niet onopgemerkt zou blijven: het gerucht over een negen minuten durende harde verkrachtingsscène met de Frans-Italiaanse ster Monica Bellucci was de film al vooruitgesneld.

Wie Irréversible tot zover verdraagt, heeft dan het ergste al achter de rug. Provocateur Noé gooit namelijk alles ondersteboven, niet alleen door extreem geweld en harde anale seks in beeld te brengen, maar ook door zijn verhaal, over `wraak als mensenrecht' en de tijd die alles vernietigt, achterstevoren te vertellen. Na credits in spiegelschrift en een epiloog aan het begin, met een naakte hoofdrol voor de fascistoïde paardenslager (Philippe Nahon) uit Noé's eerdere films Carne en Seul contre tous, dalen we meteen af naar de darkroom van club Rectum, waar de camera dronken rondzwaait onder begeleiding van een oorverdovende industriële soundtrack. Wat normaliter de climax van een masochistische hellevaart zou moeten zijn, is voor Noé de monochrome, bloedrode opmaat voor een reis naar het licht, naar een menselijker wereld, waarvan je dan dus al weet dat die ten onder zal gaan.

De termen goed en slecht zijn op Irréversible niet van toepassing, in moreel noch kwalitatief opzicht. Het is een ervaring zoals je die nooit eerder in de bioscoop hebt meegemaakt, niet te vergelijken met Fight Club of Baise-moi, met Bataille, Céline of Genet. Het boegeroep van de toeschouwers die niet wegliepen overtrof na de persvoorstelling duidelijk het applaus. Wee het gebeente van een jury die Noé zou durven bekronen, die wacht een groter fluitconcert dan in 1987 Maurice Pialat ten deel viel na het ontvangen van een omstreden Gouden Palm voor Sous le soleil de Satan.

Net als Aleksandr Sokoerov in zijn Hermitagefilm Russian Ark schuwt Noé de montage. Bijna de hele film bestaat uit lange, ononderbroken camerainstellingen, een mede door de ontwikkeling van de techniek – van beelddrager en camera's dit jaar in Cannes opvallende trend. Ook de Belgische broers Luc en Jean-Pierre Dardenne vervolgen in hun competitiefilm Le fils de in hun Palmwinnaar Rosetta (1999) geïntroduceerde camerastijl: langdurig, vanaf de schouder draaiend achter de hoofdpersoon aanlopen, vaak zonder de voorkant van zijn gezicht in beeld te brengen. Le fils is het portret van een leraar houtbewerking die om niet direct uitgelegde redenen heel erg zenuwachtig is over de komst van een nieuwe pupil. Het is ook een film over handenarbeid, over materie en een timmermansoog, zoals de broers Dardenne ook zelf filmen, schijnbaar gemakkelijk, maar in feite heel precies.

Een andere trend in Cannes dit jaar is de hernieuwde, filmisch gedetailleerde belangstelling voor mensen die met hun handen werken en tot een met uitsterven bedreigde klasse behoren. De Londense taxichauffeurs in Mike Leighs All or Nothing, de Schotse drugdealertjes in Ken Loach' Sweet Sixteen, de werkloze Finse lasser in Aki Kaurismäki's De man zonder verleden dragen stuk voor stuk hoofdstukken bij aan een steeds dikker dossier van films over de nieuwe tweedeling in Europa. Maar met plat realisme of pamflettisme hebben geen van die films gelukkig wat uit te staan. Ook over `kanslozen' zijn heel zorgvuldige, creatieve films te maken.

Zelfs in het nihilisme van Noé zou je een politieke lading kunnen ontdekken: de verkrachter uit de darkroom verwenst zijn vrouwelijke slachtoffer vooral, omdat ze rijk en mooi is, en dat zijn eigenschappen die hij uit afgunst niet langer kan dulden.