Mooie muziek

Er is een tijd geweest dat iemand die in Amsterdam op straat gitaar begon te spelen en er een liedje bij zong door de politie werd opgepakt. De muzikant kreeg een boete en de gitaar werd verbeurd verklaard. Het zou een mooie boel worden, zei de kantonrechter, als we allemaal met onze gitaar de straat op gingen. De openbare mening was het ermee eens. Er werd toen niet bij stilgestaan, maar het was een diepe belediging voor de kunstenaar.

Als je nu ergens op de stoep, desnoods op Amsterdams rode loper gaat zitten, en je blaast niets anders dan doremi op je blokfluit, zal er geen haan naar kraaien en aan het einde van de dag heb je toch een paar euro's verdiend. En nog meer als je je hondje meeneemt. In humanitair opzicht is het een vooruitgang, muzikaal gesproken niet. Er is medemenselijkheid en er is straatmuziek.

De waarderingen lopen uiteen. Er zijn mensen die hun tranen niet kunnen bedwingen als ze op een regenachtige dag een draaiorgel horen. Ik geloof dat er zelfs gedichten van onbedaarlijk zelfmedelijden over gemaakt zijn. Ik gun iedereen zijn kunstgenot; aan mij is het niet zo besteed. Het is automatische muziek, door een benzinemotortje in beweging gebracht, het komt uit een grote kar en het is te hard. Als hartenbreker wordt het draaiorgel overtroffen door de muziek van de blinde man die in de Paleisstraat of de Mozes en Aäronstraat wat schorre tonen uit een luidsprekertje laat komen.

Over hem wil ik het verder niet hebben. Het gaat hier over de muzikale kant van de immigratie. Overal in de grote steden van het Westen spelen al jaren muzikanten uit de Andes, althans Latijns Amerika, denk ik. Clubjes van een man of vijf, zes, met panfluit, gitaar, trommel, nog een paar instrumenten. Overal klinkt het prachtig. Mogen die straks blijven? Hun muziek opent het uitzicht op wijde verten, de pampa's, de Popocatepetl. Ze zien er ook uit alsof ze hier gisteren zijn aangekomen. En het beste van deze ensembles is dat ze altijd met plezier spelen, nooit klinken alsof ze vinden dat het nu mooi genoeg is. Ik denk dat ik me niet vergis. Een paar dagen geleden kwam ik er twee tegen op de gracht. Daar was verder niemand te zien. Ze maakten hun muziek. Dat is het bewijs.

Nog een aanwinst die voor de Latijns-Amerikaanse niet onderdoet: de muzikanten uit de Balkan. Bij het Centraal Station staan er vaak twee, met klarinet en trommeltje, die je meeslepen naar de gevaarlijkste kroegen, zoals ze door A. den Doolaard zijn beschreven. Op hun paard komen de struikrovers aangereden. Ze trakteren op pruimenjenever. Deze twee komen uit Bulgarije. Ergens anders hoorde ik twee Macedoniërs, die zo opruiend de trommel sloegen en de fluit bliezen dat het leek alsof ze de hele wereld tot opstand riepen. In Warschau had je vroeger, in de tijd van generaal Jaruzelski, het Orchestra Schlemilje dat in een tunnel onder een kruispunt speelde. Een havelozer clubje heb ik nooit gezien. Hun succesnummer was de Marseillaise. In die tijd ook een oproep tot wereldopstand. Ik heb het, geloof ik, al eens verteld. Ik heb ze vijftig dollar gegeven. Ze waren meteen verdwenen. Later zijn ze commercieel geworden. Toen waren de wilde geesten getemd. Tot de besten van de laatste tijd horen de muzikanten die in de doorgang onder het Rijksmuseum spelen. Terecht zijn ze met een film op de televisie geëerd.

In New York kiest de straatmuziek positie in de stations van de subway. De kunstenaars moeten een proeve van bekwaamheid afleggen voor ze in het publiek domein mogen optreden. Als je de stad beschouwt als een groot concertgebouw zit er iets in. Aan de andere kant moet je zeggen dat ze, niet als mens maar in hun hoedanigheid van kunstenaar, toch al een hard leven hebben. Op het station 77ste straat van de Lexingtonlijn stond een paar jaar geleden een fragiel meisje met een cello. Ze speelde Bach. Ze keek in het oneindige. Uit de tunnel naderde het geraas van de expresstrein. Het begint met ver gerommel, op het hoogtepunt is een meedogenloos verpletterend kabaal van voorbijschietend staal op staal. Haar gezicht veranderde niet, ze bleef doorspelen, het lawaai stierf weg, het meisje van Bach hernam de ruimte. Op het station van lijn 1, 23ste straat, stond de laatste tijd vaak een zanger met een gitaar, een eerste klas kunstenaar die ook tegen alle lawaai was opgewassen.

Geld geven aan een straatmuzikant is geen aalmoes, maar een honorarium met een dubbele betekenis. Als de kunstenaar mooi speelt is het voor de kunst, en als zo iemand zich niet door wat dan ook van de voorstelling laat afbrengen, is het ook een beloning voor het moreel. En dan nog! Een muziekstuk is een geheel. In het Concertgebouw loop je niet weg nadat je tien minuten naar een symfonie hebt geluisterd. De muziek van een muzikant op straat komt binnen het bereik van je gehoor, je zoekt naar kleingeld, laat het vallen en je loopt door. Het zou beter zijn als je even bleef staan en een kleine buiging maakte.

Maar ze zijn eraan gewend, zult u zeggen. Ze hebben ervoor gekozen. Dat weet ik nog niet zo zeker. Vindt u het mooi? Blijf even staan en verdubbel het honorarium. Straatmuziek hoort erbij. Veel buitenlandse blazers en strijkers. Dat moet ook in het volgende regeerakkoord worden opgenomen.