De militaire roversbenden

Nederland ondervondt in de 16de, 17de en 18de eeuw veel hinder van oorlogshandelingen. Maar als na verloop van tijd een vredesakkoord bereikt werd, betekende dat nog niet dat de rust weerkeerde. Het was eerder omgekeerd: overal in West-Europa nam in oorlogstijd het aantal berovingen en overvallen sterk af, om na afloop van de krijgshandelingen juist toe te nemen. In vredestijd bleef het aantal overvallen op een tamelijk hoog niveau.

De oorzaak daarvan is eenvoudig in te zien. In tijden van oorlog waren tienduizenden ongeschoolde, jonge mannen uit de arbeidersklasse in het leger. Na afloop keerden deze mannen, verruwd door de oorlog, in groten getale terug om te bemerken dat er nauwelijks werk voor ze was. Vooral in Brabant en Limburg was dit het geval. Op het grondgebied van deze provincies werd niet alleen tijdens de laatste fase van de Opstand gevochten, maar ook tussen 1670-1680, 1690-1710, en na 1740 en 1790 vonden hier gevechtshandelingen plaats.

Zo was er de 29-jarige Joseph Koetsera, een Hongaarse huzaar die als laarzenmaker bij verscheidene legers had gediend. Hij was als huurling in dienst geweest van Pruisische, Franse en Italiaanse compagnieën – hij was zeker driemaal gedeserteerd. In september 1747, toen de Fransen wederom verschillende delen van Brabant bezet hielden, reisde Koetsera met een andere Hongaarse huzaar – beiden te paard – met nog een derde metgezel, die nog geen paard had, door Brabant. Ze besloten de postkoets van Maastricht naar 's-Hertogenbosch te overvallen. Bij de overval verliep alles volgens plan en ze konden met drie paarden hun tocht vervolgen. Maar uiteindelijk werden ze in Gelderland aangehouden, berecht en ter dood gebracht.

In Brabant waren tussen 1690 en 1715 twee grote benden actief: de Zwartmakers en de Moskovieters. Alleen al tussen 1693 en van 1700 werden zeker 69 mannen en vrouwen berecht die tot de Zwartmakers behoorden; 48 van hen werden ter dood veroordeeld.

Een overval verliep volgens een vast patroon. Doorgaans spraken de mannen 's avonds met elkaar af, op korte afstand van het huis dat ze wilden overvallen. Ze maakten hun gezicht zwart, begaven zich naar het huis en posteerden schildwachten. Met een paal werd de deur ingeramd, de bewoners werden gekneveld en in de kelder opgesloten en het huis werd geplunderd.

Zo drongen in januari 1695 drie mannen met zwarte gezichten de slaapkamer van een bejaarde boer binnen. Ze dreigden hem in de buik te schieten als hij niet vertelde waar hij zijn geld verborgen hield. Hij weigerde en werd met een bijl bewerkt, terwijl zijn 70-jarige vrouw in elkaar werd geslagen en aan haar haar naar de kelder werd gesleurd. De man bleef volhouden dat hij geen geld in huis had, waarop de rovers hem begonnen te martelen door heet kaarsvet op zijn gezicht en op zijn geslachtsdelen te laten druppelen.

De Zwartmakers waren geen soldaten. Toch waren ze wel degelijk beïnvloed door het militaire bedrijf. Alleen al het feit dat de bendeleden goed met vuurwapens overweg konden en het uitzetten van schildwachten wijzen op militaire ervaring. Maar de invloed kwam vooral tot uiting in hun organisatie.

In Brabant waren de omstandigheden voor gewapende overvallen uitermate gunstig. Uitgestrekte heiden, bossen en veengebieden zorgden voor schuilmogelijkheden. Op het platteland woonden buren slechts zelden op gehoorsafstand.

Het leegschudden van rijke boeren betekende niet dat de Zwartmakers als een soort Robin Hoods gezien moeten worden – ze kregen geen steun van de boerenbevolking in een veronderstelde strijd tegen een onderdrukkende elite. Meestal waren welgestelde boeren en notabelen het slachtoffer, maar ze beroofden net zo gemakkelijk bejaarden, en ook het spaargeld van dienstmeiden en boerenknechten was niet veilig.

De Zwartmakers oefenden lange tijd een ware terreur uit. Vlak voor zijn executie sprak Zwartmaker Andries Orville met leedvermaak over de angst die hij en zijn kompanen hadden teweeggebracht. Op het schavot verklaarde hij dat `de Swartmakers in geen 30 jaren sullen uitgeroijt connen worden, alsoo alle die men crijcht daar voor houden, al sijn sij onschuldich', waarmee hij bedoelde dat men in de komende jaren elke gearresteerde vagebond zou aanzien voor een Zwartmaker. Zijn profetie bevatte een kern van waarheid. Het zouden vooral rondtrekkende groepjes zigeuners en joden zijn, die van deze fobie het slachtoffer werden.

Florike Egmond, Op het verkeerde pad. Georganiseerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden, 1650-1800 (Amsterdam, 1994)