Likud en Palestina

In Bethlehem en Ramallah herneemt het leven langzaam zijn normale loop. De acute bezettingscrises zijn voorbij nu de Israëlische troepen zich uit deze steden op de Westelijke Jordaanoever hebben teruggetrokken. In de Geboortekerk is na het wekenlange beleg een mis opgedragen voor meer dan duizend Palestijnse christenen. Veelzeggend detail: de kerk moest opnieuw worden ingewijd na als `moskee' te zijn gebruikt. Niet alle gelovigen zijn gelijk – geen plek ter wereld waar dat duidelijker is dan in het Heilige Land. Om de problemen in Bethlehem en Ramallah op te lossen is onder Amerikaanse druk en stap voor stap gewerkt aan een regeling die voor Israël en de Palestijnen kennelijk acceptabel was. Waarmee niet is gezegd dat een einde is gekomen aan het geweld, laat staan aan het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Nieuwe terreuraanslagen hebben Yasser Arafat in verlegenheid gebracht. Hij verwees in een interview met CNN naar `andere landen' die de zelfmoordaanslagen ondersteunen. Welke dat zijn, wilde hij niet zeggen. Het kenmerkt Arafats schijnbaar machteloze positie. Als een martelaar is hij uit de puinhopen van zijn kantoor in Ramallah gekomen, maar hij kan of wil het geweld niet beëindigen. Toch zal Arafat iets moeten laten zien. Zich verschuilen achter `andere landen' – te denken valt aan Irak en Iran – zal hem niet helpen, omdat hij voor de Amerikanen nog steeds gesprekspartner is. Dat schept verplichtingen. Arafats smoezen hebben een doorzichtige eeuwigheidswaarde.

Maar of het lot het wilde, is de aandacht voor de problemen van Arafat alweer overstemd door de Israëlische partijpolitiek. Likud, de partij van premier Sharon, stemde afgelopen zondag tegen de stichting van een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever, nu en in de toekomst. Sharon kan het standpunt van zijn partijcongres in de politieke praktijk van alledag misschien omzeilen, maar totaal negeren is onmogelijk. Het beperkt zijn onderhandelingsruimte met Washington aanzienlijk, brengt de huidige periode van relatieve rust in gevaar en compliceert de kans op een bestand. Sharon, tijdens het partijcongres op de huid gezeten door rivaal Benjamin Netanyahu, noemde het standpunt van zijn partij met recht ,,gevaarlijk voor de staat Israël''. Het afwijzen van een Palestijnse staat zet de regeringscoalitie op scherp. In de Likudpartij zelf stemde een grote minderheid (veertig procent) voor het openlaten van de kwestie. De Israëlische samenleving als geheel is er niet minder verdeeld over. Vroeg of laat zal dat naar buiten komen.

De vorming van een Palestijnse staat is onontkoombaar om vrede in het Midden-Oosten te bereiken. Het standpunt van Likud is onverantwoordelijk, omdat het vrede impliciet onmogelijk maakt. Nog in maart nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties resolutie 1397 aan. Daarin werd de visie bekrachtigd van een regio waarin twee staten, Israël en Palestina, binnen veilige en erkende grenzen naast elkaar leven. Waarmee Netanyahu niet alleen op ramkoers ligt met Sharon, maar ook met de Veiligheidsraad.

Hoop op een eigen staat is essentieel voor de Palestijnen. Israël kan die hoop bieden. Daarvoor is nodig dat het diepverdeelde land een groots gebaar maakt. Alleen verstandig leiderschap zal daartoe in staat zijn. Zolang Israël de Palestijnen die hoop niet biedt, houdt het geweld aan. Ook nu weer is het Arafat die de schijnbare winst opstrijkt. Al een tijdlang lost Israël, op een geheel eigen wijze, Arafats problemen op. De Palestijnse leider hoeft niet veel meer te doen dan hij altijd al heeft gedaan: afwachten, reageren op de gebeurtenissen, profiteren van de publieke opinie – en overleven.