Duitse politici zwegen

Vanuit Duitse optiek waren de Nederlanders tot maandagavond een volk dat zich door niets uit balans laat brengen. Met de moordaanslag op Pim Fortuyn kwam een einde aan het cliché van de op consensus gebouwde Noordzee-idylle. Tot beschouwingen over het eigen land leidde de dood van Fortuyn en zijn immense populariteit vrijwel niet.

De moord beheerste dagen het nieuws. De aanslag, de vermoedelijke dader, de ontreddering van Kok, de rellen, de bizarre onzekerheid over de verkiezingen, het algehele gevoel van onbehagen: de berichtgeving was uitvoerig en gedetailleerd. Maar het bleef een buitenlands onderwerp. Noch in de Duitse politiek, noch in de genuanceerde analyses die op het nieuws volgden, werd een directe verbinding gelegd tussen de moord in Hilversum en de binnenlandse politieke verhoudingen. De Duitse politiek kent uiterst rechts in vele schakeringen: van de met verbod bedreigde neonazi-partij NPD tot de met Fortuyn vergelijkbare rechtspopulist Ronald Schill, een voormalige rechter die met een law and order programma uit het niets minister van binnenlandse zaken in Hamburg werd.

De politici in Berlijn leken niet goed raad te weten met het onderwerp. Maandagavond werd uit de mond van de woordvoerder van bondskanselier Schröder (SPD) opgetekend dat het nog te vroeg was voor een officieel standpunt. Op dinsdagochtend werd in regeringskring nog nagedacht over wie op welke manier zou reageren. Later veroordeelde minister van Buitenlandse zaken, Joschka Fischer, de aanslag. In een vraaggesprek met persbureau Reuter riep Fischer de conservatieve partijen in Europa op vooral geen allianties met populisten van rechts aan te gaan.

Voor de fractieleider van de conservatieve CDU/CSU in de Bondsdag, Friedrich Merz, was de opkomst van populisten in onder andere Nederland het beste bewijs dat het niet gezond is voor een democratie als de grote politieke stromingen lange tijd samen een regering vormen, verklaarde hij woensdagochtend.

De Duitse kranten riepen de hulp in van bekende Nederlanders om greep te krijgen op het onderwerp. Harry Mulisch stelde in de Süddeutsche Zeitung dat Fortuyn beslist geen boosaardig mens was. Marcel Möring vatte opkomst en dood van Fortuyn in religieuze metaforen. In het geloof dat er iets verschrikkelijk mis is in hun land hebben Nederlanders zich in de armen van een heiland gestort die ongelijk had, schreef hij in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ). Probleem is alleen dat er helemaal geen naderend onheil is. Het verhaal van Jezus dus, maar dan zonder Romeinen.

Duitse politieke analisten zagen al snel het verschil tussen Fortuyn en de rechtse populisten in andere Europese landen als Le Pen en Haider. Fortuyn, de homofiele intellectueel uit Rotterdam, vertolkte populair-rechtse ideeën, maar kon niet eenvoudig als domme racist in de hoek worden gezet. Er werd op gewezen dat Fortuyn zich distantieerde van Le Pen en zich naar eigen zeggen eerder verwant voelde met conservatieve kanselierskandidaat Edmund Stoiber (CDU/CSU).

De FAZ vroeg zich af of de pijlsnelle opkomst van Fortuyn getuigt van een crisis in het Europese partijensysteem. Met Fortuyn heeft het populisme definitief de sprong naar Noord-Europa gemaakt, constateerde de krant, naar landen waar men de consensus predikte. ,,De populisten zijn de kinderen van een zorgzame politiek die burgers in haar hoogmoed meent te moeten beschermen tegen onaangename waarheden.'' Als die hoogmoed nog lang aanhoudt, waarschuwde de conservatieve krant, wordt het Europese partijensysteem definitief met een nieuwe stroming uitgebreid.

Voor de FAZ lag het unieke in het fenomeen-Fortuyn vooral in de constatering dat populisme van rechts ook een modern gezicht kan hebben, een gezicht dat niet refereert aan een onzalig verleden. ,,Paradijsvogel Fortuyn heeft bewezen dat populisme het ook kan stellen zonder bedenkelijke (lees: bruine) hulptroepen.''