De reizende bollenkraam

Bloembollen zijn voor Nederland al eeuwen gouden handel: tachtig procent van de wereldproductie is in Nederlandse handen. Maar de sector is bezorgd: ruimte wordt schaars, de regelgeving wordt strenger, en de overheid heeft haar oog op de bollenstreek laten vallen voor woningen en recreatie. `De bollenvelden zijn het decor van Nederland.'

Ongemerkt zijn de wielen van de vierpersoons Cessna 172 van het beton losgekomen. Wiegend op de thermiek van een warme voorjaarsdag zoekt het toestel de hoogte, terwijl het uitzicht over de kop van Noord-Holland weidser wordt. Tot in de heiige verte liggen overal onder ons uitgestald bollenvelden, strakke vlakken in het ijzingwekkend geordende landschap. Lila, lichtroze, hardoranje, hier in elkaar overlopende strepen (een experiment? een mislukking?), daar een rood dat in de zon zo fel oplicht dat het zelf licht lijkt uit te stralen.

Dat rood had bij Mondriaan gekund, maar voor het overige zou hij zich in z'n graf omdraaien als hij wist hoe vaak zijn naam in verband wordt gebracht met al die tussentinten en mengkleuren. Als kunstenaar was zijn goedkeuring voorbehouden aan de primaire kleuren. En de vraag of de diagonale lijn toelaatbaar was ja of nee, gaf aanleiding tot een onherstelbare breuk met zijn kompaan van De Stijl, Theo van Doesburg.

In vakjargon heet dit bollengebied bovenin Noord-Holland `De Noord', in tegenstelling tot `De Zuid', de streek rond Sassenheim, Hillegom en Lisse waar bollen sinds de tulpomanie van de zeventiende eeuw traditioneel worden geteeld. Alle toeristen en de meeste Nederlanders beschouwen `De Zuid' als dé bollenstreek, maar dat is allang niet meer zo: die vertegenwoordigt tegenwoordig slechts tien procent van het bollenareaal. De Noord is met 5.000 hectare bijna twee keer zo groot – en toch is ook hier een felle strijd om de ruimte gaande.

Vanuit het vogelvluchtperspectief van deze piepkleine Cessna is goed te zien hoe de bollenvelden geleidelijk van achter de duinen bij Callantsoog en Den Helder landinwaarts zijn geschoven, uit- of opgekocht door de vakantiedorpen en de golfbanen. Moeilijk te zeggen wat er kunstmatiger uitziet, het strenge grid van de bollenvelden of de gewild-gezellige meanders van de vrijetijdskampementen en de bedachte obstakels van de greens – die steeds vaker één geheel vormen. Heel letterlijk wordt in dit landschap zichtbaar hoe de productie door de pret wordt verdrongen.

Nóg heviger dan in De Noord is de strijd om de ruimte in De Zuid. Volgens het Structuurschema Groene Ruimte 2 van vorig jaar is die ruimte in het drukke westen nodig voor woningbouw, bedrijventerreinen en recreatie – een plan dat de bijnaam kreeg `de Bollenstad van Pronk'. De traditionele bollenstreek van circa 2.600 hectare moet met een derde krimpen en de teelt moet worden verspreid over zogenaamde `projectvestigingen', nieuw aan te leggen enclaves in de Wieringermeer (Noord-Holland), Flevoland en Zeeuws-Vlaanderen.

Die staan niet met open armen klaar. In Zeeuws-Vlaanderen waren de reacties verdeeld, in Flevoland verklaarden Gedeputeerde Staten eind vorig jaar, dat daar geen ruimte is om de intensieve bollenteelt uit het westen op te vangen.

De voornemens in het Structuurschema Groene Ruimte 2 vielen niet alleen verkeerd bij de provincie Zuid-Holland – die meende net met het kabinet te hebben afgesproken dat er tot 2020 géén verstedelijking in de bollenstreek zou plaatsvinden – maar vooral bij de kwekers, veredelaars en handelaren zelf. Door de onzekerheid over de toekomst die de overheid oproept, durven bedrijven geen investeringen te doen en lopen daardoor achterstand op, vinden zij. Bovendien: waar moeten ze heen? ,,Je kunt niet tegen een bollenboer zeggen: gooi maar een schep zand op een voormalige akker en stop daar die bollen maar in'', zegt Sjaak Langeslag, voorzitter van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB). ,,Het kost wel tien jaar om van nieuwe grond goede bollengrond te maken.'' Het Productschap Tuinbouw heeft daarom eind maart in reactie op de kabinetsplannen een oproep aan de politiek gedaan, om een einde te maken aan de onzekerheid over de ruimtelijke, en daarmee economische toekomst van de bollensector

Anders dan op het hoogtepunt van de tulpengekte in de Gouden Eeuw, toen voor één zo'n geheimzinnig gewrocht bedragen werden betaald waarvoor men ook een huis had kunnen kopen, zijn bollen nu niet duur meer. Maar de drieduizend Nederlandse telers produceerden er vorig jaar wel tien miljard stuks – dat wil zeggen tachtig procent van de wereldproductie. Hoewel een kwart van de bollen in Nederland blijft, komt opmerkelijk genoeg slechts één procent als bloembol bij de consument hier terecht; het overgrote deel, 24%, bereikt ons in de vorm van de bloemen die eruit komen. Van die tien miljard bollen gaat driekwart naar het buitenland - ruim honderd landen, waarvan meer dan de helft buiten de EU - en vertegenwoordigen daarmee 724 miljoen euro aan exportwaarde. Daarbij kun je volgens KVAB-voorzitter Langeslag gerust nog 410 miljoen euro optellen aan exportwaarde van de bloemen die eruit voortkomen. Alleen al in de tweede helft van vorig jaar groeide de export met zes procent; die naar het Verre Oosten, inclusief China, is sinds 1997 verdubbeld. Grootste afnemers zijn Amerika, Japan, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

De hoeveelheid grond die voor de bollenteelt wordt gebruikt, is het afgelopen decennium met sprongen omhoog gegaan, van ruim 17 duizend in 1994 naar bijna 23 duizend nu (ter vergelijking: dat is tweederde van alle landbouwgrond in de Noordoostpolder). De schaalvergroting in de bollenteelt is nog harder gegaan dan in de rest van de landbouw: het gemiddelde bollenbedrijf was in 2001 twee keer zo groot als in 1990. In de sector werken nu 20.000 mensen, de seizoenskrachten niet meegerekend.

Behalve voor de export zijn de bloembollen ,,een essentieel onderdeel van het Nederlandse toeristische product'', zegt directeur Hans van Driem van Toerisme Recreatie Nederland (TRN). ,,Er komen tien miljoen buitenlandse bezoekers per jaar naar Nederland, die bijna acht miljard euro uitgeven. De twee maanden van het bollenseizoen levert dus 1,3 miljard aan inkomsten op, en in diezelfde periode bezoeken 750.000 mensen het Keukenhof.'' Verplaatsing van de bollenteelt beschouwt hij als een bedreiging voor het toerisme, want de Wieringermeer of Flevoland staan bij weinig buitenlanders op de kaart, laat staan op de mental map. Maar ook in de bollenstreek zelf dreigt het `oooh!'-effect verloren te gaan als het vrije uitzicht wordt verstoord door woningbouw, of door de eigen kassen van de telers. Het liefst zag Van Driem in het voorjaar bollenvelden langs alle Nederlandse snelwegen, ,,die zijn tenslotte het decor van Nederland''.

Maar niet alléén van Nederland. Frankrijk, België, Duitsland en Groot-Brittannië laten zich ook in met de bollenteelt. En Nederlandse kwekers brengen de productie over naar elders, niet vanwege de lonen maar vanwege het klimaat. Commercieel manager Vincent Kuijvenhoven van Royal Van Zanten, een Hillegoms bedrijf uit 1862 met 1500 medewerkers: ,,Wij produceren ook bollen in Chili, Nieuw-Zeeland en Tasmanië. Het is heel veel werk om zoiets op te zetten, want je zit in een omgeving waar verder niemand de technieken en de machines kent. Maar het is de moeite waard, omdat je daarmee voor speciale bolsoorten een tweede groeiseizoen hebt.''

De meeste tuinbouwbedrijven zijn in de loop van de tijd zich gaan specialiseren; de bollensector is een van de weinige waar bedrijven – zoals Royal Van Zanten – én kweken, én veredelen, én handel drijven. Via de schuur, waar de houten kisten nu nog werkeloos wachten op de tulpenbollenoogst van volgende maand, gaat Kuijvenhoven voor naar de `toonzaal'. In deze kas worden uit elke partij van tienduizend bollen vijftig `opgeplant' om te checken of het product overeenkomt met de belofte. Om de enorme hoeveelheden potgrond terug te dringen experimenten kwekers met nieuwe soorten ondergrond. Narcissen doen het goed op schelpen, lelies op cocos of zoals in deze kas in plastic kistjes met veen.

In de `kraamkamer' staan lange rijen potjes, ieder een potentieel nieuwe ras tulp of lelie. Van 150.000 zaailingen hebben er hooguit vijf of zes een commerciële toekomst. ,,Het opkweken van een nieuwe ras kost jaren'', zegt Kuijvenhoven. ,,Voor een nieuwe leliesoort is dat minstens zeven jaar, met een tulp duurt wel twintig jaar voordat je één hectare bollen hebt. En dan gaat de kweker er nog een paar jaar mee experimenteren voordat die ras de consument bereikt.'' Omdat de tulp zich zo moeilijk laat vermenigvuldigen wordt in het laboratorium geëxperimenteerd met nieuwe technieken van weefselvermeerdering en zelfs `embryo rescue', zeg maar een vorm van bloemen-ivf. De nieuwste trots van het bedrijf is de Royal van Zanten is de stuifmeelloze lelie – de muilezel onder de bloemen, beeldschoon maar per definitie onvruchtbaar. ,,En eigenlijk overbodig'', geeft Kuijvenhoven toe, ,,want met plakband haal je zo het stuifmeel van je kleren. Maar er is vraag naar.''

Vanwege de grote investeringen die gemoeid zijn met het kweken van een nieuwe ras is ruim tien jaar geleden het licentierecht, oftewel het kwekersrecht in het leven geroepen. Wie een nieuwe ras tot wasdom heeft gebracht, kan die verkopen en er 25 jaar lang royalties voor krijgen. De duurste ras die Van Zanten ooit heeft verkocht, bracht een miljoen euro op. Het kwekersrecht is binnen de EU geregeld, nu proberen de kwekers als voorwaarde te stellen voor de handel met landen in het Verre Oosten dat ze zich daar ook aan houden.

Typisch Nederlands: het stroboscopische effect dat je krijgt als je vanaf de weg langs de voren van de bollenvelden rijdt. Het effen groen, dat zijn de 'gekopte' planten, dat wil zeggen dat de bloembladen eraf zijn gehaald om de kracht in de bol vast te houden. En tussen dat groen liggen de gekleurde strepen van de geplukte bloemblaadjes, die vanwege schimmelgevaar niet op de planten mogen blijven liggen. Aan buitenlandse vrienden is het altijd moeilijk uit te leggen dat al die compacte kleurmassa's die voor hen het logo van Nederland zijn, bijzaak zijn, en straks worden weggegooid. Hier in noord-Noord-Holland komen de kleurvlakken steeds als een bonte verrassing, nu eens hier, dan eens daar in het vlakke land. Dit is wat de sector 'de reizende bollenkraam' noemt: de kweker huurt elk jaar van een akkerbouwer een ander perceel voor zijn ' kraam', zijn handelswaar, meestal tulpen.

Als het aan de overheid ligt, is het binnenkort gedaan met de reizende kraam. Alles moet in een 'projectinrichting'. De enige die er tot nu toe bestaat, is de `Hollandse Bloementuin'. Een coöperatie kocht voor 50 miljoen euro 400 hectare grond van akkerbouwers in de Anna Paulownapolder, niet ver van Den Helder, hoogde die op met 60 centimeter zand om de grond geschikt voor bollen te maken en verkocht die in rustig tempo aan kleine kwekers. Liefst 15 hectare worden beplant met riet, dat eventuele bestrijdingsmiddelen uit het oppervlaktewater moeten zuiveren.

KVAB-voorzitter Sjaak Langeslag: ,,De overheid heeft de Hollandse Bloementuin in de armen gesloten als het project van de toekomst, maar dat is wishful thinking. Nieuwe grond kun je als uitbreiding van bestaande bedrijven gebruiken, maar als de hele sector in ene wilt verplaatsen gaan die bedrijven kapot.'' Minder omslachtig – en zeker voor de bollensector te prefereren – zou het zijn als het wonen en het recreëren naar de nieuwe gronden gingen, in plaats van de bollen in ballingschap te sturen. ,,Maar het is puur economie: de functies die het meeste opbrengen, die winnen het.''