De kracht van `Lijmen'

Voor Nederlanders, liefhebbers van klein proza en fijne ironie, is de Belg Willem Elsschot een `honorary Dutchman', stelt Pieter Steinz in deel 19 van zijn stoomcursus literatuur.

Nederland had afgelopen dinsdag andere dingen aan zijn hoofd, en dus ging de 120ste verjaardag van Alfons de Ridder alias Willem Elsschot geruisloos voorbij. Jammer, want de grootste Vlaamse schrijver van de eerste helft van de twintigste eeuw kan niet vaak genoeg herdacht worden. Op zijn geboortedag, 7 mei, op zijn sterfdag, 31 mei (1960), of anders wel op het zoveelste lustrum van de verschijning van klassieke romans als Villa des Roses (1913), Kaas (1933), Het dwaallicht (1946) en natuurlijk Lijmen (1924).

In Lijmen, en de 14 jaar later geschreven vervolgnovelle Het been, verwerkte de geboren reclameman Elsschot zijn ervaringen als redacteur van de advertentiefuik La Revue Continentale. Zijn alter ego Frans Laarmans, een flierefluiter van het type twaalf-ambachten-dertien-ongelukken, gaat in de leer bij de mefistofelische Ch.A.

Boorman, directeur van het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen. Boorman brengt Laarmans de fijne kneepjes bij van het `lijmen' (`de mensen bepraten en doen tekenen') om nóg meer exemplaren te kunnen afzetten van het abonneeloze tijdschrift waarin positieve artikelen de ijdelheid van de beschreven neringdoenden c.q. afnemers strelen. Grossierend in cynische oneliners (`het willen is in mijn zaken moeilijker dan het doen'; `schud de mensen als rupsen van je af, dan komen ze naar je toe') vergaart Boorman fortuinen; zonder scrupules, behalve in het geval van de smederij-uitbaatster Lauwereyssen, die hij in Het been vergeefs probeert schadeloos te stellen voor het been dat is afgezet omdat ze na het afnemen van honderdduizend tijdschriften geen geld meer had voor de dokter.

Het been werd geschreven op verzoek van de Nederlandse Forum-redacteur Menno ter Braak, die Elsschots antidogmatisme en ongekrulde stijl zeer bewonderde en er bij de Vlaamse stermedewerker van Forum op aandrong nóg een boek te schrijven over de `zwendelaar en gros' Boorman. In de jaren daarna zou Elsschot – die door de dichter-essayist Jan Greshoff werd gekarakteriseerd als de Johannes de Doper van de Forum-generatie – veel meer Hollandse bewonderaars krijgen. De columnist Simon Carmiggelt schaamde zich er niet voor om zijn epigoon genoemd te worden; de essayist Karel van het Reve prees te pas en te onpas Elsschots stilistische souplesse en fijnzinnige ironie; en voor de generatie die haar carrière na de dood van Elsschot begon, behoren Lijmen en Kaas (over de gefuikte handelsdroom van de ouder geworden Laarmans) tot de all-time favourites. Nederland ziet zijn Vlaamse schrijvers nu eenmaal het liefst `stads' en zo min mogelijk barok.

Verouderen doen Elsschots compacte romans eigenlijk niet, hoewel Lijmen een geval apart is: Elsschot gebruikte nogal wat Frans in de beschrijving van het Brusselse handelsverkeer. Voor een nieuwe generatie lezers moeten die passages op zijn minst in een noot vertaald worden. Alfons de Ridder zou daar weinig bezwaar tegen hebben; vanaf zijn schooltijd, toen hij Nederlands kreeg van de flamingantische dichter Pol de Mont, was hij een kampioen van de Vlaamse taal. Een kampioen? Nee, de kampioen.

Volgende week `De ondraaglijke lichtheid van het bestaan' van Milan Kundera.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl