Weg met de curatoren

Janneke Wesseling vervolgt haar aanklacht tegen de ontsporing van kunstmusea. Het enthousiasme over het nieuwe cultureel beleggen is onterecht.

Musea voor moderne kunst vinden het ouderwets en achterhaald om zorgvuldig voorbereide eenmanstentoonstellingen te organiseren; en wie zich teweerstelt tegen de toenemende invloed van het marktdenken op het museumbeleid is conservatief en wil terug naar de 20ste eeuw. Dit blijkt uit de reacties op het stuk dat ik een maand geleden schreef, Het failliet van de Nederlandse musea (CS 12/4). Kennelijk denkt men in de musea dat marktdenken synoniem is met vernieuwing en `actueel zijn'. Een nauwelijks te volgen kronkelredenering. Vernieuwing betekent in dit verband vooral hippe, sensatiebeluste en populistische exposities maken.

Ik betoogde dat het museumbeleid sinds begin jaren tachtig in het teken van kwantiteit is komen te staan: meer jonge kunst, hypes, sensationele thematentoonstellingen, grotere en chiquere museumgebouwen, en meer bezoekers. Deze observatie wordt door de ingezonden brieven bevestigd. Ik zou met liefde op deze brieven reageren wanneer er duidelijke, inhoudelijke tegenargumenten tegen mijn betoog waren, maar die zijn er niet. Eerder valt tussen de regels door te lezen dat de brievenschrijvers het grotendeels met mij eens zijn. Heel treurig is het wel dat Ranti Tjan van het Centraal Museum in Utrecht suggereert dat ik de tentoonstellingen van Dan Graham, Theo van Doesburg, Pieter Saenredam en Pipilotti Rist `waarschijnlijk gewoon niet heb gezien', terwijl ik Graham, Van Doesburg en Saenredam (de laatste twee tentoonstellingen notabene in Tjans museum) lovend besproken heb. Op dit niveau valt natuurlijk geen enkel debat te voeren.

De museummedewerkers hebben duidelijk weinig vertrouwen in de beeldende kunst. Zij denken dat kunst aan actualiteit en belang wint wanneer nieuwe, `grensoverschrijdende' manieren van exposeren worden bedacht. De kunst heeft dit echter helemaal niet nodig, en geen enkele kunstenaar zit te wachten op nieuwe tentoonstellingsconcepten van museumpersoneel of tentoonstellingsmakers. `Actueel' is eenvoudigweg iedere tentoonstelling van goede kunst. Zoals deze maanden de expositie van recente schilderkunst van de Engelse Bridget Riley in Krefeld of de presentatie van Erik van Lieshout in het Groninger Museum. Niet alleen tonen zij belangrijk werk, beide tentoonstellingen zijn door de kunstenaars zelf, volgens hun precieze aanwijzingen, ingericht.

Irrelevant

Met name het Centraal Museum in Utrecht blinkt momenteel uit in experimentele presentaties. Deze beperken zich trouwens niet tot hedendaagse kunst, ook de oude kunst moet er aan geloven. Op de tentoonstelling `Verborgen' worden momenteel 16de- en 17de-eeuwse schilderijen uit de collectie van de Zwitserse bankier Wilhelm Caspar Escher (1859-1929) getoond dat wil zeggen, dat is de bedoeling. Het museum heeft de schilderijen van onder anderen Jan van Goyen, Albert Cuyp en Salomon van Ruysdael dramatisch uitgelicht, en wel op zo'n manier dat felle spotlampen cirkels van licht werpen op de doeken. De schilderijen kunnen letterlijk niet worden bekeken.

Enkele weken geleden organiseerde dit museum een debat over de wijze waarop videokunst gepresenteerd kan worden. Typerend is dat in het discussiepanel geen beeldend kunstenaar zitting had. In feite is zo'n debat irrelevant, want het kunstwerk behoeft geen enscenering anders dan zoals die door de kunstenaar is bedoeld. De afgelopen decennia kenden, zowel binnen als buiten de musea, een ware wildgroei aan `curatoren' die thematentoonstellingen maken en die hun curatorschap opvatten als een soort conceptuele `meta-kunst'. Kunstenaars slaan doorgaans een uitnodiging om aan zo'n expositie deel te nemen niet af, om opportunistische redenen, maar vaak is het verband tussen het thema van de tentoonstelling en het getoonde werk ver te zoeken. De kunst is hier verworden tot illustratie bij een ideetje. Het woord `curator', dat in het Nederlands zoiets betekent als beheerder van een failliete boedel, krijgt hier een omineuze bijklank.

De vraag of het museuminstituut als white cube is achterhaald de white cube is een witte, neutrale tentoonstellingsruimte waar de kunst geïsoleerd van het dagelijks leven, als in een soort heiligdom, wordt getoond doet er evenmin toe. Je kunt natuurlijk alles ingewikkeld maken, maar de taak van het hedendaagse museum is helder: dienstbaar zijn aan de kunst en ruimte geven aan de kunstenaar. Daarbij is het nodig dat het museum een consistente inhoudelijke visie heeft op de ontwikkeling van de kunst. Die visie ontbreekt in de meeste musea. De musea laten zich wat dit aangaat voor een groot deel leiden door marktwerking en door hypes.

Fondsen

Wat de toenemende commercialisering betreft is de overheid verantwoordelijk. Economie is de nieuwe politiek en het zakenleven bepaalt steeds meer de richting. Het democratisch bestel legt het af tegen particuliere zakelijke belangen. De overheid trekt zich terug, streeft privatisering van de musea na, en geeft daarmee haar taak als regelgever en als bewaker van ons cultuurgoed op.

Vorige week heeft Rick van der Ploeg, demissionair en wel, weer eens een ballonnetje opgelaten: cultureel beleggen. Het idee is dat particulieren, zo staat het verwoord in de berichten, aandelen kunnen kopen in culturele fondsen. Deze manier van beleggen wordt door de overheid, net als het beleggen in groenfondsen, fiscaal aantrekkelijk gemaakt. Om de kwestie tot de musea te beperken: hoewel er nog van alles onduidelijk is over deze regeling, staan enkele musea al te trappelen om mee te doen. Het Rijksmuseum bijvoorbeeld wil wel een `topschilderij' kopen met geld uit zo'n fonds, met geleend geld dus. De grote vraag blijft natuurlijk hoe de belegger ooit zijn investering terug kan krijgen, en hoe het museum rendement kan maken op het geleende geld. Een museum is immers geen winstonderneming. Wil het Rijksmuseum gaan handelen in zijn collectie, ons gemeenschappelijk bezit? Of verwacht het dat dat nieuwe topschilderij een beduidend aantal extra bezoekers zal opleveren?

Van der Ploeg was tijdens een werkbezoek aan de Verenigde Staten onder de indruk geraakt van de betrokkenheid van vermogende particulieren bij het culturele bestel en bij de musea, zei hij ter gelegenheid van de presentatie van zijn cultureel-beleggen-ideetje. De staatssecretaris heeft zich nogal eenzijdig laten informeren. Eind maart verscheen in de New York Times een paginagroot artikel van kunstcritica Roberta Smith, getiteld Bad news for art, however you define it. Zij signaleert een groeiende kloof tussen de hedendaagse kunst en de musea. Ook hekelt zij het systeem waarbij de trustees, de vermogende particulieren van Van der Ploeg, zich met relatief weinig geld een belangrijke vinger in de pap van het museumbeleid verwerven. In tegenstelling tot de trustees van weleer zijn deze nieuwe rijken vooral geïnteresseerd in het kopen van maatschappelijk aanzien, terwijl ze vaak weinig kennis of begrip hebben van beeldende kunst. Het Guggenheim en het Whitney Museum balanceren op de rand van faillissement en belangrijke tentoonstellingen van Matthew Barney, Douglas Gordon, alsook de grote Malevitsj-expositie (in het Guggenheim) en een retrospectief van Eva Hesse (in het Whitney) zijn onlangs afgelast wegens gebrek aan geld.

In april 1999, toen het beursfeest in Nederland op zijn hoogtepunt was, schreef Ranti Tjan, verbonden aan het Centraal Museum, op de opiniepagina van deze krant een euforisch (en niet onderbouwd) pleidooi voor een beursgang van de musea, als zijnde `de beste weg naar de toekomst'. Privatisering is de oplossing van al uw problemen, en, schreef Tjan juichend, `zoals het aandeel Ajax in waarde zal stijgen als over twee jaar de finale van de Champions League weer gehaald wordt, zo zal het aandeel van de NV Museum stijgen met een mooie tentoonstelling van Renoir'. Dat aandelen ook kunnen dalen, zoals Ajax bewijst, had Tjan kennelijk niet bedacht.

Identiteitscrisis

Niet de kunst of de kunstenaars, maar de musea verkeren in een diepe identiteitscrisis. De gevestigde machtsstructuur in de musea zou opengebroken moeten worden, maar in plaats daarvan breekt men zich het hoofd over niet-essentiële kwesties als nieuwe tentoonstellingsmodellen en over het museum als white cube dan wel als black box; in plaats daarvan bedenkt men plannen voor alweer een volgende blockbuster; in plaats daarvan wordt er gefantaseerd over wat men al niet zou kunnen doen wanneer de rijken onder ons in de musea zouden beleggen.

Het wordt hoog tijd dat er een einde komt aan de zelfgenoegzame regentencultuur aan de top, met allemaal mannetjes die vooral één ding willen: een nieuw museumgebouw. Conservatoren en jonge kunsthistorici zouden kansen moeten krijgen om zich te ontplooien in de museumwereld. En musea moeten gewoon doen waar ze voor bestemd zijn: ons gemeenschappelijk cultuurgoed behoeden, en zich ten dienste stellen van de kunst en van de gemeenschap. Daartoe is ruimhartige steun van de overheid dringend noodzakelijk.