Lulu in een roze cocktailroerder

Eigenlijk zou een recensent de slotscène van Alban Bergs Lulu bij de Nederlandse Opera niet moeten verklappen. En wie nog naar de voorstelling gaat, zou misschien niet verder moeten lezen. Maar zonder dat slot te beschrijven, kan men niets zeggen over deze Lulu, een nieuwe productie van Andreas Homoki rond de Amerikaanse Laura Aikin. Zij is befaamd als dè Lulu van deze tijd, een ook hier opmerkelijk goed gezongen rol als de klassieke femme fatale, vrijwel constant op het podium.

Deze Lulu over een jong sensueel, maar ook naïef quasi-onschuldig meisje, lijkt wel Alice in Wonderland, Part II. De voorstelling is het volwassen vervolg op de sprookjes- en kinderopera Alice in Wonderland van de Rus Alexander Knaifel, waarmee de Opera in september in Carré het seizoen opende.

Ook Lulu speelt in een sfeer van circus en kermis, in een zachtroze spiralende koker, waarin een zuurstokachtige cocktailroerder ronddraait. We zijn hier middenin de mallemolen van het leven en van de liefde, of wat daarvoor doorgaat. De dierentemmer begint zijn proloog over Lulu, ,,gemaakt om onheil te stichten, te verlokken, te verleiden, te vergiften, te moorden.''

Zo gauw de mannen Lulu tegemoettreden in deze roze-rosse ruimte worden de voorspellingen bewaarheid. Lulu's echtgenoot betrapt haar op overspel met een schilder en sterft aan een hartaanval. De schilder pleegt later zelfmoord, en ook haar echtgenoot Dr. Schön sterft, als hij Lulu wil dwingen zelfmoord te plegen. Steeds vanzelfsprekender zijn al die dode mannen en ze worden ook steeds terloopser via luiken in de vloer geloosd.

We zijn hier op het kerkhof van la vie en rose en ook met Lulu moet het wel verkeerd aflopen. Maar dan opeens, in de slotscène is er kil wit licht en komt een eind aan Lulu's fantasie, haar droom over de weerzinwekkende maar ook onontkoombare mannen. Zij zag hen met veel dédain op hun onaantrekkelijkst. Ze hadden wel allemaal de jas van hun rokkostuum aan, maar ze liepen rond zonder broek, in hun ondergoed en sokken. Met wat kleren uit waren ze geen man meer en met nog wat kleren aan waren ze geen minnaar. Het waren weggooi-mannen in haar droom. Maar in de werkelijkheid die dan ineens doorbreekt, hebben al die kerels weer hun broek aan en zijn ze archetypische heren die begerig naar Lulu reiken. Ze schurkt zich tegen de roerstaaf en dan vallen ze dood om haar neer. Zíj zijn fatale mannen, fataal voor zichzelf.

Dat dubbele kan men overal ontdekken. Een goed begin is het om de staaf te zien als een fallus. Vervolgens kan men speculeren over de travestie die sommige mannen praktizeren en na afloop kan men nog lang doordenken over hoe droom en werkelijkheid al dan niet door elkaar lopen. Het is een complex, zij het niet al te diepgaand concept van Homoki. Veel meer dan dat dubbelzinnige slot heeft hij ook niet te vertellen. Voordien bestaat de voorstelling uit een eindeloos continuüm, een permanente droomtoestand waarin niets verandert. Het verhaal van opkomst en ondergang van Lulu, haar gang van de goot via de glamour naar de gevangenis, valt weg omdat het in deze abstrahering oplost in het niets. Er is geen omgeving, geen ontwikkeling, geen dramatisch reliëf.

Al die kerels zijn inwisselbaar, al dragen ze rugnummers, en al die doden doen er eigenlijk niet toe. De personages om Lulu heen verliezen hun individualiteit, ze zijn figuranten en de toeschouwer krijgt met hen geen band. Behalve dan met Dr. Schön, maar dat komt omdat we de met veel inzet zingende John Bröcheler zo goed kennen.

Hoe goed er ook door de hele cast wordt gezongen en hoe goed de muziek onder leiding van Hartmut Haenchen wordt gespeeld door het Nederlands Philharmonisch Orkest, veel wordt irritant en brokkelig, omdat de muziek te vaak een dramatisch toegespitste functie verliest. Dat wordt nauwelijks gecompenseerd door de breder opgezette passages, met hun verwijzingen naar Strauss' Salome en Mahlers Negende symfonie. Als geheel is Andreas Homoki's Lulu geen vergelijk met Willy Deckers overweldigende voorstelling van Bergs Wozzeck.

De in 1979 door Friedrich Cerha voltooide derde akte wordt hier niet uitgevoerd en zo blijft Gräfin Geschwitz een schimmig personage. Ook al dwaalt ze met een bos bloemen de hele voorstelling tevergeefs om Lulu heen en al wordt ze in haar kostumering steeds meer een man, het is een te onbeduidende rol voor een operalegende als Anja Silja, die nauwelijks wat heeft te zingen. Lulu wordt nu ook niet meer vermoord door Jack the Ripper. Het programmaboek voorziet wel een voortijdig einde aan haar leven, maar Lulu zal `als principe' blijven voortbestaan: ,,de oerkracht die zij representeert, is tijdloos.''

Het is meer levensdrift dan levenslust, die Homoki in de titelrol laat representeren door Laura Aikin. Want deze Lulu is zeer somber van aard, zonder één echt vrolijk moment. De gebeurtenissen overkomen Lulu, tegen wil en dank. Dat Lulu in deze loodzware voorstelling glorieus overeind blijft, dankt ze uitsluitend aan Laura Aikin.

Laura Aikin vrijdag in CS