Een volk van praters beleeft een politieke moord

Wie tot eergisteren optredens van Nederlandse politici bijwoonde, stond te kijken van de ontspannen sfeer in cafés en gemeentehuizen, die in de nuchterheid van het overleg niets weghad van het van de realiteit losgezongen, behoorlijk onfrisse politieke carnaval in België of soms ook in Duitsland. In dit land, dat onder de middelgrote landen van Europa klein van gestalte lijkt, maar economisch gezien een reus is, leek de oude Duitse kleinsteedse notabelendemocratie een laatste toevluchtsoord te hebben gevonden. Ook in het parlement gedroegen de afgevaardigden zich heel wat beschaafder en verstandiger dan bijvoorbeeld hun Duitse collega's. Iedereen, van de strijdbare linkse socialist Jan Marijnissen tot de domineetypes van de calvinistische partijen, ging met respect en niet al te polemisch met elkaar om, en de christendemocraten van de oppositie wensten de regering nog bij haar laatste ambtsaanvaarding van harte succes.

Juist uit deze betrekkelijk saaie cultuur, waaraan vele Nederlanders nu wel met weemoed zullen terugdenken, putte de hoogst intelligente socioloog en columnist Fortuyn de munitie voor zijn agressieve campagne. Hij had de wapenstilstand – en dan met name de grote coalitie van het consensusgekonkel – de wacht aangezegd; alleen met woorden, maar met alle toegestane middelen van retorische overdrijving en provocatie, die hij briljant wist te hanteren. Het zou meer dan cynisch zijn om te beweren dat Fortuyn, die ondanks bedreigingen geen andere bodyguard had dan zijn chauffeur, nu zijn trekken thuis heeft gekregen. Het gaat niet eens aan om hem wegens zijn aanvallen op het verwarde Europese immigratiebeleid en op islamitische extremisten een rechtse radicaal te noemen, temeer daar zijn overigens door en door populistische programma – tegen files, tegen inefficiënte bureaucratie, voor ziekenzorg – nog het meest weghad van een delicatessenzaak, waar de doortrapte politicus zelf in zijn maatpak met een proefglaasje champagne in de hand achter de toonbank stond.

Deze homoseksuele dandy voerde bij gebrek aan een partijapparaat, maar ook omdat hij er geen zin in had, geen traditionele verkiezingscampagne. Hij resideerde thuis in staatsie en trad het liefst op de televisie op of, zoals vlak voor de moord, voor de radio om zijn persoonlijke veldtocht tegen het politieke establishment te voeren. In de peilingen stevende hij af op een aardverschuiving bij de Nederlandse kiezers, die zich duidelijk hadden voorgenomen hun grijze politieke klasse de volgende week eens mores te leren.

Het was niet de Lijst Pim Fortuyn of zijn programma die de mensen overtuigd had, het was louter de man zelf. Hij had gebroken met de regel dat een minister-president zich zo onopvallend mogelijk door de instellingen moet opwerken en al doende alle scherpe kantjes moet verliezen. Soms leek zijn optreden wel rechtstreeks geïnspireerd door provocerende sociologische stellingen over `de politiek als show en dienstverlening'; soms leek het zelfs of de speler Fortuyn heimelijk genoegen schepte in zijn vijandige overname van een hulpeloze raad van commissarissen – of het voor hem allemaal alleen maar een happening was. Dat dit spel echter binnenkort ernst zou kunnen worden en voor hem zou kunnen leiden tot een ander, arbeidsintensief leven als minister of zelfs minister-president, leek Fortuyn intussen niet af te schrikken.

Hieruit blijkt dat zelfs deze koel calculerende provocateur, ondanks verscheidene bedreigingen, niet serieus rekening had gehouden met de mogelijkheid dat aan de geweldloosheid van de Nederlandse politiek een einde zou komen. Maar deze daad heeft Nederland – waar het kabinet nog maar twee weken geleden uit morele medeverantwoordelijkheid voor de Servische moorden in Srebrenica was afgetreden, en daarmee de verkiezingsstrijd praktisch aan Fortuyn had overgelaten – halsoverkop in een crisis gestort. Een crisis die niet alleen het politieke stelsel, maar de hele cultuur van het land tot in de kern raakt.

De Verenigde Nederlanden zijn totstandgekomen in een bloedige, tachtigjarige oorlog. Misschien zijn ze juist daardoor een intern buitengewoon vreedzame gemeenschap geworden. De historicus A. van Deursen schildert in zijn sociale geschiedenis van de tijd van Rembrandt met wetenschappelijke acribie hoe de dijken bouwende en in schutterijen tegen de Spanjaarden vechtende polderbewoners zich tot een vreedzaam volkje ontwikkelden, dat agressief optredende figuren liefst isoleerde en dat er vrijwel te allen tijde in slaagde om conflicten door welhaast Habermas-achtig discussiëren op te lossen. Dat was tot eergisteren het beeld dat de Nederlanders van zichzelf hadden: een `volk van praters', een welgedaan, consensueel, bezonnen element in een Europa van onbehouwen democratieën.

Nu de moreel hoog te paard zittende Jan Pronk spreekt van ,,de eerste politieke moord in de geschiedenis van de Nederlandse democratie, laat hij welbewust de lynchmoord op de toenmalige regeringsleider Johan de Witt en zijn broer buiten beschouwing, waarmee in 1672 een machtsstrijd tussen het Huis Oranje en de regenten van de handelssteden ten gunste van de aristocratische stadhouder werd beslecht.

Na deze bloedige moord, waarna enthousiaste toeschouwers zelfs lichaamsdelen van de slachtoffers kochten, kwam de Nederlandse politiek, misschien verschrikt door de onderhuids smeulende gewelddadigheid, terecht in het kalme vaarwater van de nijvere, welvarende `regententijd', waarin het land eigenlijk, afgezien van Napoleon en de bloedige Duitse bezetting in de jaren 1940-1945, tot eergisteren is gebleven. Deze fase werd niet gekarakteriseerd door een inmiddels veelvuldig aangehaalde `onschuld', maar door collectief afzien van geweldpleging als cultuurelement. De beelden van de verfijnd geklede Fortuyn in zijn bloed zullen vele Nederlanders de moord van 1672 in herinnering hebben gebracht, waarmee het langdurige geluk van hun staatsbestel een aanvang had genomen. Dat dit tijdperk nu ook met een politieke moord een einde kan hebben gevonden, ligt ten grondslag aan de gewelddadige rellen rond de Haagse regeringsgebouwen en aan de vrees die het land op dit moment in zijn greep houdt.

Dirk Schümer is redacteur van de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

© FAZ.