Op poezenjacht

De bovenbuurvrouw staat voor de deur. Haar logeerpoes is van het balkon gesprongen, een zwarte. Of ze even mag kijken. In de tuin ontnemen schuttingen het zicht, ze is kansloos met haar jaren. `Ik klim er wel even overheen', zeg ik. Met de reiskooi die ze heeft meegebracht klauter ik door vreemde tuinen. Vanaf het balkon geeft de buurman luchtsteun. `Daar zit-ie', roept hij. Ik klim opnieuw over een schutting, jaag door een wildernis van berenklauw. Het beest schiet schichtig voor jaag door een prikkende wildernis van berenklauw. Het beest schiet schichtig voor me uit. `Pak hem in z'n nekvel', instrueert het balkon. Ik grijp toe, worstel het wild krabbende dier in zijn hok en sluit het deurtje. Mijn hand bloedt. `Bravo!' klinkt het van boven. Ik klim triomfantelijk terug en overhandig het furieus blazende dier. De buurvrouw loert vertederd door de tralies. Dan betrekt haar gezicht. Nee, schudt ze: `Het is 'm niet.'