Het geluk van Nederland

Zaterdag was Dodenherdenking en zondag Bevrijdingsdag, momenten waarop Nederland stilstaat bij de Tweede Wereldoorlog. Bij uitstek een moment van morele bezinning, op vragen van goed en kwaad. Joden zijn uit Nederland afgevoerd, verzetsmensen hebben het uiterste offer gebracht, militairen zijn voor de vrijheid van Nederland gestorven. Dat we zestig jaar later een vrij en welvarend land zijn, in een Europa van partners, zonder dreiging van nazisme of communisme, is een groot goed, dat als te vanzelfsprekend wordt ervaren.

Natuurlijk, er is een verkiezingscampagne gaande. De thema's zijn gewichtig. Te velen moeten lang wachten op een operatie in het ziekenhuis. Het haperende woon-werkverkeer is een grote irritatie. De binnensteden, het onderwijs, de verzorgingsstaat, de criminaliteitsbestrijding er is veel te verbeteren. Maar in de grond van de zaak leven we al decennia in vrede en rijkdom; fascisme, nazisme en communisme zijn bezworen, het monster is doodgetrapt en dat leek aanvankelijk niet vanzelfsprekend. Democratie was ooit voor zwakke naties. Er waren sterke sprekers met eenvoudige denkbeelden aan de macht, die precies konden aanduiden welke culturen dominant waren en welke achterlijk. Zij wisten een simpel gevoel van veiligheid te suggereren door andersdenkenden te demoniseren en later uit te schakelen. Van vrijheid van meningsuiting of geloof waren zij niet gediend. Nee, zij wisten welke cultuur superieur was en welke niet. Het vreedzaam samenleven van verscheidene etnische groepen of geloofsrichtingen in een democratische rechtsstaat was hun letterlijk een gruwel. Zestig jaar geleden was Nederland ingelijfd in een bewind van genocide, militarisme, knevelarij en corruptie. Dit land en zijn bevolking werd gemolesteerd, uitgehongerd en verkracht. Weten we dat nog? Is ons nog duidelijk welke waarden uiteindelijk de doorslag hebben gegeven?

Respect voor andersdenkenden. Tolerantie voor etnische minderheden. Vrijheid van geloof. Vrijheid van meningsuiting. Rechtsstatelijkheid als democratisch beginsel. Kennen we de mensen nog die met hun leven, en dat van hun gezin, borg stonden voor de onderduikers? Kunnen we hun zelfopoffering nog bevatten in onze zelfgenoegzame tijd? Het even zo simpele gevoel `dat deugt niet en dat nemen we niet', dat veel Nederlanders inspireerde tot de moed en vastberadenheid die ons nog steeds tot voorbeeld strekken.

Dezer dagen kan niet over samenleven en politieke keuzes worden nagedacht zonder daarin de figurant Pim Fortuyn te betrekken, die op een hoofdrol lijkt af te stevenen. Hij is geen eenduidige politicus, om het zacht uit te drukken. Veeleer de koning van de simpele waarheid, die zich voegt naar de conjunctuur van het moment. Hij lijkt uit op verwarring en provocatie. Wel is hij duidelijk in zijn streven. Fortuyn wil de macht, als premier. In een democratie is die ambitie ieder gegund en wie zich die opdracht stelt, is in beginsel welkom. Toch dringen zich in de eerste week van mei beelden op die zich niet makkelijk laten uitwissen. Staat straks Fortuyn als premier met een krans op de Dam, de man die de islam `achterlijk' vindt en mensen uit Marokko en Turkije niet behorend tot `de moderniteit'? Deze dagen symboliseren de heroprichting van het vrije Nederland, waar je mag zeggen wat je wilt, geloven wat je wilt, ongeacht huidskleur, ras of nationaliteit. Het is de trots van Nederland dat we hier juist niet de ene cultuur beter vinden dan de andere. Dat we hier mensen gelijk behandelen in een open samenleving. Dat we ons hier de xenofoben en racisten van het lijf wensen te houden. Het is een grote schande dat we zestig jaar na dato een politicus in ons midden daaraan moeten herinneren.