Het was toch het nazisme

De Holocaust wordt meer bestudeerd dan ooit tevoren. Maar wat levert het op? Historici zijn terug bij het oude idee: ze zoeken de verklaring voor de genocide in het ideologische bewind van Hitler. Hij was niet de zwakke leider waarvoor sommigen hem houden.

Onlangs stelde de Nederlandse overheid een fors bedrag ter beschikking voor een Centre for Holocaust and Genocide Studies aan het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, en de Universiteit van Amsterdam. Dat is een bijzonder besluit, ruim vijftig jaar na afloop van de oorlog. Waarom nu pas die leerstoel? En waarom de Holocaust èn genociden? Helpt kennis van de massamoorden op Armeniërs, Bosniërs of Tutsi's ons veel verder bij een goed begrip van de Holocaust – of andersom?

Het besluit om juist nu dit centrum op te richten lijkt weinig van doen te hebben met de historische gebeurtenis zelf. Het is in belangrijke mate ingegeven door andere factoren: een aanzienlijke publieke belangstelling voor de Holocaust, een grote mate van politieke gevoeligheid en, wellicht, een kwaad geweten (oorlogstegoeden, Srebrenica en dergelijke).

Kortom, het is niet zozeer de Holocaust zelf, als wel de herinnering eraan die de doorslag heeft gegeven. De genocide op de Europese joden is allang geleden uit de geschiedenis getild. Ze is een morele categorie geworden, die dikwijls meer van doen heeft met het heden, de actualiteit, dan met het verleden. De Holocaust is dan ook steeds minder het exclusieve terrein van de historicus geworden. Toneelschrijvers, filmmakers, zakenlieden, politici – wie hebben zich er al niet mee beziggehouden?

Wat heeft de geschiedwetenschap ons eigenlijk nog te melden over de Holocaust? Nieuwe vondsten, nieuwe inzichten? Of heeft iedere individuele overlevende nog steeds meer te zeggen over wat er werkelijk is gebeurd, dan alle historici bij elkaar, zoals Elie Wiesel eens opmerkte. Wordt de Holocaust ooit geschiedenis?

Een leerstoel voor Holocaust-studies zou ondenkbaar zijn geweest in de eerste decennia na de oorlog. De belangstelling voor de volkerenmoord is lange tijd miniem geweest. Wat de Israëlische historicus Yehuda Bauer in zijn pas verschenen Rethinking the Holocaust typeert als een `waterscheiding in de moderne geschiedenis' heeft politiek, publiek en wetenschap tijdenlang vrijwel onverschillig gelaten. Herinnering was een zaak van de overlevenden zelf (over `verwerking' had niemand het).

Dat verandert voorzichtig in het begin van de jaren zestig. Met name de zaak tegen Adolf Eichmann (1961) maakt een grote indruk. Op hetzelfde moment dat Eichmann terechtstaat, publiceert de Amerikaanse onderzoeker Raul Hilberg The destruction of the European Jews, een driedelige studie over de Duitse vernietigingsmachinerie. Pas na veel moeite vindt Hilberg een uitgever bereid zijn boek te publiceren. Het is zowel één van de eerste als één van de beste studies die ooit over de Holocaust zijn verschenen. ``Monumentaal, briljant en nooit geëvenaard', schrijft Bauer. Hilberg is echter nooit aan een toonaangevende universiteit verbonden geweest en onderzoek naar de Holocaust blijft een marginale bezigheid. Het is een ``historiografisch mysterie' schrijft de Amerikaanse historica Lucy Dawidowicz nog in het begin van de jaren zeventig, waarom historici over de gehele wereld de volkerenmoord negeren en trivialiseren. ``Ik word achtervolgd door de angst dat de geschiedenis van de zes miljoen vermoorde joden net zo van de aardbodem zal verdwijnen als de joden zelf en hun beschaving.'

Die angst blijkt ongegrond. Al enkele jaren na Dawidowicz' verzuchting is de Holocaust niet meer weg te denken uit onze collectieve herinnering. Die ommekeer heeft weinig te maken gehad met historici of geschiedschrijving. Er zijn hogere belangen in het spel. De Holocaust wordt een cruciale component van de joodse identiteit, van de legitimiteit van de staat Israël en uiteindelijk zelfs van ons gemeen gevoelen over goed en kwaad. Soapseries en speelfilms brengen de volkerenmoord in iedere huiskamer.

De geschiedwetenschap profiteert van de groeiende belangstelling. Er wordt thans waarschijnlijk meer wetenschappelijk onderzoek naar de Holocaust verricht dan ooit eerder. Enkele gerenommeerde onderzoekers maken de balans op, in recent gepubliceerde boeken. Yehuda Bauer, voormalig directeur van Yad Vashem, en Raul Hilberg hebben zich hun gehele carrière met de Holocaust beziggehouden. Robert Wistrich uit Jeruzalem en Wolfgang Benz uit Berlijn hebben over uiteenlopende onderwerpen gepubliceerd.

De discussie tussen historici is lange tijd overheerst geweest door de tegenstelling tussen de zogeheten `intentionalisten' en de `structuralisten'. Eerstgenoemde benadrukken Hitlers onwankelbare voornemen de joden in Europa te vernietigen. Zij trekken bij wijze van spreken een rechte lijn van Mein Kampf naar Auschwitz. Laatstgenoemde menen dat de Holocaust het resultaat is van een ingewikkeld proces van actie en reactie. De weg naar Auschwitz was een kronkelweg. Deze tegenstelling lijkt achterhaald. Zoals zo vaak volgt na these en antithese de synthese. Bauer en Wistrich wijzen de intentionalistische verklaring als simplistisch van de hand. Ze delen echter evenmin de structuralistische visie. Die is te technocratisch, te klinisch, te modernistisch. Zonder Hitler en diens genocidale Weltanschauung zou er geen Holocaust zijn geweest, benadrukken ze. Beide auteurs nemen afstand van de `rationele' verklaringen (bureaucratische competitie, economisch gewin) die geleidelijk de analyse van de Holocaust zijn gaan overheersen. Structuren sturen geen mensen naar de gaskamers, schrijft Bauer.

Onderzoek naar Nazi-Duitsland maakt eenzelfde ontwikkeling door als die naar Stalinistisch Rusland. Historici herontdekken de ideologie en de sterke man. Via de lange omweg van de schijnbaar universele sociaal-wetenschappelijke categorieën zijn ze terug bij het wezenlijk unieke, het irrationele van het totalitarisme. Ideologie is geen instrument dat louter vermeende rationele overwegingen maskeert of legitimeert, merken Bauer en Wistrich op. Ideologie is het kernstuk van het totalitaire experiment. We zijn terug bij de dominante interpretatie tijdens de Koude Oorlog.

Hitler was niet de zwakke of weifelende leider waarvoor sommige historici hem houden, zeker niet als het om het joodse vraagstuk gaat. Hermann Goering wordt met instemming geciteerd: ``In laatste instantie is het de Führer en hij alleen die beslist.' Maar wat besliste de Führer, en wanneer? Het is één van de meest klemmende vragen over de Holocaust.Er is nooit een schriftelijk bevel van Hitlers hand gevonden. In zijn Sources of Holocaust research, een soort handboek voor de serieuze onderzoeker, stapt Hilberg merkwaardig luchtigjes over deze lacune heen. Hitler was gewoon mondelinge orders te geven, schrijft hij. Toch waren er belangrijke uitzonderingen, zoals de opdracht tot het euthanasieprogramma of tot de aanval op de Sovjet-Unie. In een boek over de `bronnen' van de Holocaust had wel iets meer kunnen worden gezegd over deze ontbrekende schakel, deze bizarre witte vlek. Ze heeft immers niet alleen aanleiding gegeven tot veel (moedwillige) misverstanden (wist Hitler van de volkerenmoord?); ze staat ook het antwoord in de weg op de vraag op welk moment het besluit wordt genomen om de Europese joden systematisch te vernietigen. De meeste historici, Bauer, Benz en Wistrich incluis, plaatsen dat moment ergens in de eerste maanden van de oorlog met de Sovjet-Unie, in september-oktober 1941. Tot die tijd is er geen sprake van een consistente politiek. Joden worden verdreven en vermoord, maar niet stelselmatig uitgeroeid. De snelle opmars in Rusland verandert alles. Miljoenen joden zijn plotseling binnen het bereik van de Duitse legers. Het massale, primitieve moorden eist echter zijn tol. Er gaan steeds meer stemmen op voor een meer `humane' aanpak (vanuit het perspectief van de Duitse Einsatzgruppen wel te verstaan): vergassing. Operatie Barbarossa verschaft de noodzaak en de mogelijkheid van een planmatige uitroeiing van de Europese joden.

Wat weten de Duitsers en in welke mate waren ze bij de Holocaust betrokken? ``Hoe kon het Duitse volk een bende moordenaars en handlangers van moordenaars worden?', vraagt Bauer. Voorlopig kan de discussie over de rol van de gewone Duitser niet om Goldhagens Hitlers gewillige beulen heen. Wistrich en Bauer zijn genuanceerd in hun oordeel over Goldhagen; Benz negeert hem, zoals veel Duitse historici. Goldhagen kan de ultieme intentionalist kunnen worden genoemd. Zijn verklaring van de Holocaust draait immers om het bijzondere `genocidale antisemitisme' van het Duitse volk. De Duitsers zouden de joden altijd al hebben willen uitroeien en nu kregen ze de kans. Een onhoudbare stelling, menen Bauer en Wistrich terecht. Een stelling die is gebaseerd op een gebrekkige kennis van de Duitse geschiedenis.

De discussie over de betrokkenheid van de gewone Duitser is niet los te zien van een ander aspect van de Holocaust: de rol van de `omstanders'. De Holocaust is lang voorgesteld als een aan het oog ontrokken, geoliede machinerie waardoor een handvol Duitsers en hun handlangers zo'n zes miljoen joden wisten te vermoorden. Dat beeld klopt niet. Omstanders waren dikwijls ook daders. De Holocaust is allang niet meer een exclusief Duitse aangelegenheid. Ze is een `pan-Europese' gebeurtenis, schrijft Wistrich. Ze zou onmogelijk zijn geweest zonder het streven van miljoenen Europeanen de joden uit hun midden te verwijderen.

Evenmin kan de Holocaust worden gezien als een typisch moderne, bureaucratische onderneming. Dat is een aan de West-Europese werkelijkheid ontleende voorstelling van zaken. Een groot deel van vooral de Oosteuropese joden is op primitieve, wrede wijze vermoord. Zij werden niet in het geniep vergast in Auschwitz of Treblinka, zoals nog dikwijls wordt verondersteld, maar doodgehongerd in overvolle getto's of vermoord aan de rand van hun eigen dorp of stad. De Holocaust voltrok zich in belangrijke mate in het volle daglicht, onder het oog en met medewerking van de Duitse Wehrmacht en een fors deel van de lokale bevolking.

Hoe uniek is de Holocaust? Is het zinvol om de genocide op de Europese joden in een vergelijkend perspectief te plaatsen? Bauer noch Wistrich hebben veel op met de typering `uniek'. Ze prefereren `zonder precedent'. Dat lijkt een kleinigheid, maar dat is het niet. Uniek heeft iets onvoorstelbaars, ondoorgrondelijks en onbegrijpelijks. En als de Holocaust wezenlijk onbegrijpelijk is, dan hebben historici er niets te zoeken. Wat maakt de Holocaust zonder precedent? Bauer en Wistrich voeren het `totale' en het `irrationele' karakter van de Holocaust op. Pragmatische overwegingen spelen een relatief geringe rol bij de daders en de slachtoffers werden niet vermoord om wat ze deden of dachten, maar om wat ze waren: joden. Dit zou de Holocaust onderscheiden van andere gevallen van volkerenmoord, waaronder de genocide op eigen volk in Stalinistisch Rusland.

In geen van de hier besproken boeken wordt de vergelijking tussen Holocaust en Goelag bijzonder zinvol geacht. Dat is merkwaardig. Vergelijking is geen gelijkstelling, en recent onderzoek naar de Stalinistische terreur (waaronder het uit de weg ruimen van `sociaal schadelijke elementen') wijst eerder op een grotere mate van overeenkomst dan van verschil. Toch hebben relatief weinig historici zich aan de vergelijking gewaagd. Het onderzoek naar de Holocaust blijft een nogal geïsoleerde bezigheid.

Vele malen groter echter dan de verschillen tussen het nationaal-socialisme en het Stalinisme, is de discrepantie tussen de herinnering aan beide totalitaire regimes. De Goelag heeft nooit de mate van cultivering en ritualisering gekend die de Holocaust heeft ondergaan. Veel slachtoffers van de Holocaust hebben een gezicht, een naam; de gevangenen van de Goelag zijn vreemd gebleven, hun namen onuitspreekbaar, hun lot onbekend. De nagedachtenis aan de Goelag is een individuele besogne; de herinnering aan de Holocaust is een staatsaangelegenheid;. Het is juist die bijzondere publieke herinnering aan de Holocaust die de wetenschappelijke agenda in belangrijke mate heeft bepaald. Anders zou de Universiteit van Amsterdam niet pas na vijftig jaar haar eerste leerstoel in de Holocaust en genocide studies hebben gekregen.

Yehuda Bauer, Rethinking the Holocaust. New Haven and London, Yale University Press, 2001, 335 blz.

Wolfgang Benz, The Holocaust. A short history. London, Profile Books, 2001, blz. 188.

Raul Hilberg, Sources of Holocaust research. An analysis. Chicago, Ivan R. Dee, 2001, 218 blz.

Robert S. Wistrich, Hitler and the Holocaust. London, Weidenfeld & Nicolson, 2001, 322 blz.