Nederland wil geen Europese fraudeaanklager

Nederland voelt vooralsnog niets voor de aanstelling van een Europese fraudeaanklager.

Het voorstel van de Europese Commissie voor zo'n Europese opsporingsinstantie voor fraudezaken waarmee EG-geld gemoeid is, schiet tekort en biedt te weinig waarborgen voor verdachten die door zo'n aanklager worden vervolgd. Ook zal zo'n Europese officier van justitie over te weinig capaciteit beschikken om potentiële fraudeurs daadwerkelijk te vervolgen en te berechten.

Dat staat in de conceptreactie van de Nederlandse regering op het zogeheten Groenboek van de Europese Commissie waarin de aanstelling van een dergelijke Europese aanklager wordt bepleit. Het is volgens de Nederlandse regering volstrekt onduidelijk hoe het toezicht op de activiteiten van zo'n Europese opsporingsinstantie geregeld zou moeten worden.

Volgens de Europese Commissie bieden de huidige verschillen in rechtssystemen van individuele lidstaten te weinig waarborg om grensoverschrijdende vormen van EG-fraude en andere criminaliteit aan te pakken. Daarom wil de Commissie een Europese aanklager aanstellen die samenwerkt met Europese officieren van justitie in de lidstaten. Die aanklager moet de autonome bevoegdheid krijgen om strafvervolging in te stellen en zaken aan te brengen bij een rechter.

Vorige maand liet staatssecretaris Benschop (Europese zaken) nog weten dat Nederland in beginsel positief tegenover zo'n aanklager staat. Maar in de conceptnotitie van minister Korthals (Justitie) worden nu zoveel kritische kanttekeningen gemaakt, dat Nederland komende zomer waarschijnlijk niet met het voorstel zal instemmen. Aanstelling van een Europese aanklager vergt overigens aanpassing van het EG-verdrag, dat op zijn vroegst in 2004 gerealiseerd kan zijn.

Nederland is volgens diplomatieke bronnen in Brussel niet het enige land dat afwijzend reageert op het plan. Van de zeven lidstaten die hebben gereageerd, hebben er inmiddels zes een waslijst van kritische kanttekeningen ingediend.