Weinig ruimte euthanasie

Een Brits verbod op hulp bij zelfdoding aan een verlamde patiënte is overeind gehouden door het Europese Hof voor de mensenrechten in Straatsburg. Betekent dit dat de Nederlandse euthanasiewet niet door de Europese beugel kan?

Het Britse verbod van hulp bij zelfdoding is niet in strijd met de rechten van de mens die zijn vastgelegd in het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dat heeft het Hof voor de mensenrechten in Straatsburg bepaald. Daarmee is echter niet gezegd dat de Nederlandse wetgeving, die deze vorm van hulp onder omstandigheden juist toelaat, wél een inbreuk vormt op de Europese mensenrechten. Het Hof pleegt namelijk de aangesloten staten een zekere beleidsvrijheid te laten.

Nederland zal deze marge hard nodig hebben bij de verdediging van de nieuwe euthanasiewet. Ons land is al aangesproken door het comité dat waakt over het verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten van de Verenigde Naties. Dit vertoont veel overeenkomsten met het Europese verdrag.

Het Hof stelt in de Britse zaak de staatsplicht voorop om het menselijk leven te beschermen. De rechters zeggen niet te kunnen inzien hoe men aan dit recht ,,het diametraal tegengestelde recht om te sterven of een recht op individuele zelfbeschikking'' kan ontlenen.

Voorzover het gaat om de eis van een persoon om te sterven door andermans hand, is dat evident. Geen mens kan worden verplicht aan zo'n eis van een ander tegemoet te komen. De vraag is echter of het recht op individuele zelfbeschikking wel zo absoluut tegengesteld is aan het recht op het leven zoals het Hof het voorstelt. De rechtvaardiging van euthanasie in Nederland wordt juist gezocht in de stelling dat individuele grondrechten er niet toe strekken het beschikkingsrecht van de mens over zichzelf te beperken. ,,Vrijheidsrechten werken niet tegen de vrijheid van de betrokkene'', betogen H.J.J. Leenen en J.K.M. Gevers in hun handboek gezondheidsrecht.

Daar denkt het Straatsburgse hof dus anders over. De vrees voor een kommervolle dood van de patiënte in kwestie verdient alle sympathie, aldus de rechters. Maar haar ondragelijk lijden valt niet onder het verbod van ,,een onmenselijke behandeling'' in het Europees verdrag. Door hulp bij zelfdoding te verbieden doet de overheid, tot wie dit verbod zich richt, haar immers niet zelf kwaad aan. Het Hof wijst een zorgplicht van de overheid om onmenselijke situaties actief te voorkomen af, maar vindt wel dat zo'n positieve plicht in bepaalde omstandigheden geldt als het gaat om het recht op leven. Zoals de strafbaarstelling van euthanasie en hulp bij zelfdoding.

De rechters in Straatsburg sluiten niet uit dat het in wel zeer algemene termen gestelde Britse verbod inbreuk maakt op het fundamentele recht op eerbiediging van het privé-leven van de patiënte. Deze inbreuk wordt echter gelegitimeerd door het belang van het recht op leven. Zonder dit recht worden immers ,,alle andere rechten en vrijheden krachteloos''.

Wel erkent het Hof dat ,,flexibiliteit'' nodig is bij de handhaving van het euthanasieverbod in individuele gevallen. Daarin zal de ruimte voor Nederland moeten worden gezocht. Euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn ook hier strafbaar gebleven. Het gaat om de uitzondering voor zorgvuldige hulpverlening. De verplichting van een staat om gedragingen strafbaar te stellen, valt niet los te zien van de wettelijke strafuitsluitingsgronden.