Voor altijd Big City

Hans van Tol, die zijn bekendste liedjes schreef en zong onder de naam Tol Hansse, is gistermiddag op 62-jarige leeftijd overleden. Hij leed aan kanker en was al enige tijd ziek. Zijn grootste succes, het zuurzoete Big City, stond twee keer in de hitparade: eerst in 1978 – met de scheurende saxofoon van componist Clous van Mechelen – en opnieuw in 1993, in een ander arrangement.

Hans van Tol leidde een grillig artiestenleven. Hij studeerde trompet en piano aan het Amsterdams conservatorium, speelde samen met Van Mechelen in de rockgroep The Sharks, reisde met allerlei orkestjes door heel Europa, werkte als begeleider mee aan shows van Tom Manders (alias Dorus) en schreef diverse cabaret-revuetjes waarin hij zelf optrad. Ook werkte hij in de jaren zeventig, als decorateur en stemmetjesmaker mee aan een Fabeltjeskrant-tournee, een van de eerste activiteiten van de beginnende producent Joop van den Ende.

Maar zijn landelijke bekendheid begon pas met Big City, onder het pseudoniem Tol Hansse. Hij koos daarvoor vanwege de besmette reputatie van zijn vader Jacques van Tol, die niet alleen de succesnummers voor Louis Davids en Snip & Snap schreef – en na de oorlog voor talloze andere prominenten – maar tijdens de bezetting berucht werd met een NSB-cabaret op de radio. Zodra over zijn afkomst geruchten de ronde deden, maakte Hans van Tol er trouwens geen geheim meer van. Integendeel: toen ik een biografie over Jacques van Tol schreef, werkte Hans daaraan van harte mee. Hij toonde zich vol onbegrip over 's mans grote misstap, maar sprak ook met veel liefde over de man die zijn vader was.

Net als die vader schreef Hans van Tol maatvaste teksten met een monkelende ondertoon en vaak in elk couplet een grap. Zoals in Big City: ,,De haringman staat op zijn stekkie/ met een bleek vertrokken bekkie/ eet hem nou maar op meneer/ met die walmen van `t verkeer/ `k neem u echt niet in de maling/ is het zó gerookte paling.' Of, in het filosofische Maar de molens draaien door, over de Batavieren die ons land binnenkwamen: ,,Te bezopen om te lopen/ van de vele potten bier/ bleven zij maar hangen hier/ nederliggend in het zand/ noemden zij het Nederland...'

Tol Hansse maakte een groot aantal platen met steeds minder succes. Misschien was hij ook te verlegen, te onhandig, en niet egocentrisch genoeg, om een ideale solo-artiest te zijn. Nadat hij voor zijn platen zelf steeds de hoezen had geschilderd – grote, felgekleurde vormen – ging hij ook schilderijen maken in opdracht van anderen. Verder schreef hij columns. Maar steeds dook Big City weer op: in 1999 nog door Big Brother en vorig jaar in een tv-spotje, gezongen door Jenny Arean, Mieke Stemerdink en Marjan Luif, tegen een deelraad voor de Amsterdamse binnenstad. Het bleef zijn lijflied, en hij vond het al een wonder dat hij ooit zo'n grote hit had gehad.