Toets asielverzoeken in de regio

De stroom asielzoekers naar Nederland kan worden ingedamd wanneer asielverzoeken worden getoetst in buurlanden van het land van herkomst. Dit is niet in strijd met het Vluchtelingenverdrag, meent A.H.J.W. van Schijndel.

Voor veel kiezers in het asielvraagstuk hèt onderwerp in de verkiezingscampagne. Dat is geen wonder. Ondanks een tijdelijke vermindering van de toestroom blijven de problemen bestaan. Immers, hoe meer mensen er bijkomen, des te moeizamer de integratie. Pim Fortuyn speelt daarop in. Hij wil de grenscontroles weer invoeren en het Vluchtelingenverdrag opzeggen. Maar meer grenscontroles houden asielzoekers niet tegen. En het botweg opzeggen van het Vluchtelingenverdrag gaat te ver, vooral omdat de landen van de Europese Unie hebben afgesproken bij dat verdrag aangesloten te blijven.

De beste aanpak is om asielverzoeken in de toekomst alleen nog maar te toetsen in buurlanden van het land van herkomst. Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) zou met die taak kunnen worden belast. Een deel van de erkende vluchtelingen kan vervolgens – naar evenredigheid – worden verdeeld over de westerse landen. In feite betekent `toetsing in de regio' dat Nederland geen asielprocedures meer hoeft aan te bieden.

Anders dan vaak wordt gedacht, spoort dit met het Vluchtelingenverdrag. Dit verdrag kent slechts één harde norm: het verbod vluchtelingen naar hun land van herkomst terug te sturen. Het verdrag voorziet dus niet in een recht op asiel.

Toetsing in de regio bouwt voort op een bestaande praktijk, want de afgelopen jaren heeft het Hoge Commissariaat honderden door haar erkende politieke vluchtelingen voorgedragen voor verblijf in ons land. In de regio – dichtbij, voor arm en rijk bereikbaar – kan het beste worden beoordeeld wie naast opvang ook bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag verdienen. Groot voordeel is dat de markt voor mensensmokkelorganisaties (die veel criminaliteit oproept) wegvalt. Bovendien verdwijnt het geld niet langer in de Nederlandse asielbureaucratie. Men bedenke daarbij dat de directe kosten voor ons asielbeleid nu circa 2,2 miljard euro per jaar belopen. Dat is meer dan anderhalf keer zoveel is als het budget waarmee UNHCR moet zorgen voor 21 miljoen vluchtelingen in de hele wereld.

Staatssecretaris van Justitie Kalsbeek wijst toetsing in de regio echter af. Zij gelooft dat Europa ons probleem gaat oplossen. Die gedachte is volstrekt onrealistisch, want alleen al vanwege de kosten kunnen de meeste landen zich onze aanpak absoluut niet veroorloven. Belangrijker nog, alle lidstaten zijn en blijven in de eerste plaats geïnteresseerd in beperking van de toestroom. Dus zullen ze blijven proberen asielstromen door aanscherping van regels te verleggen en dit zal niet anders worden wanneer ooit een Europees asielbeleid van de grond zou komen.

Uit inmiddels door de Commissie gepubliceerde voorstellen blijkt namelijk dat dit Europese beleid niet beoogt uniforme regels voor het asielbeleid af te dwingen. In feite gaat het de Commissie om het stellen van – meestal vaag geformuleerde – minimumnormen. De lidstaten bepalen vervolgens zelf hoe ze die minimumnormen willen invullen. Deze normen betreffen zowel de rechtsbescherming als de opvang.

De voorstellen van de Commissie beogen asielzoekers een sterke bescherming te bieden. Maar ze impliceren wél dat een nieuwe batterij regels wordt toegevoegd aan het toch al dichte regelwoud van ons asielrecht. En dat biedt dus talloze juridische aanknopingspunten om langdurige procedures verder te compliceren.

Het voornaamste bezwaar is evenwel dat de voorgestelde aanpak het afwentelingsgedrag tussen de landen eerder zal versterken dan beperken. Landen met een legalistische cultuur zoals Nederland zullen de Europese regels nauwgezet proberen uit te voeren; de waakzaamheid van onze rechterlijke macht staat daar borg voor. Andere landen zullen die regels minder serieus nemen (of er geen geld voor hebben), hetgeen die landen in staat stelt een minder aantrekkelijke asielbestemming te blijven.

Vanuit Nederland bekeken behelst de gekozen aanpak dus een onomkeerbare inperking van onze vrijheid van handelen, waardoor de beleidsverschillen met andere lidstaten (in opvangniveau en rechtsbescherming) juist worden geaccentueerd. De onevenredig hoge toestroom naar Nederland wordt daarmee juridisch verankerd. Dit is niet in belang van Nederland.

Alleen een Europese aanpak waarbij alle lidstaten erop vooruit gaan, kan werken. Toetsing in de regio voldoet aan die eis en Nederland zal binnen de Europese Unie een onderhandelingspositie moeten opbouwen om de partners hiervoor warm te maken. Dat kan door de nu op tafel liggende voorstellen van de Commissie te blokkeren, omdat uniforme toepassing van de Europese asielregels niet gewaarborgd is. Tegelijkertijd moet Nederland – vooruitlopend op toetsing in de regio – maatregelen nemen om de asielstroom in te dammen. Ook daarmee versterken we onze onderhandelingspositie, want andere lidstaten krijgen daardoor te maken met een hogere instroom. Zonder signaal dat Nederland zich geplaatst ziet voor een onhoudbare situatie gebeurt er namelijk niets.

Mr. drs. A.H.J.W. van Schijndel is Europeesrechtelijk jurist.