Pensioenen

De haperende economische groei en de teruggang op de aandelenmarkten hebben de best gevulde spaarpotten van Nederland in de problemen gebracht: de pensioenfondsen. Werknemers en pensioengerechtigden zullen dezer dagen met belangstelling het nieuws hebben gevolgd over fondsen die in de gevarenzone dreigen te komen, over het verhogen van de premies en het loslaten van de indexering. Nederlandse pensioenfondsen waren toch de rijkste ter wereld? En de zekerheden die ze bieden waren toch onovertroffen? Ja en dus komen de zorgelijke geluiden des te harder aan.

Wat is er aan de hand? Nederland kent de AOW voor iedere 65-plusser, de door de overheid gegarandeerde en door burgers via een omslagstelsel betaalde oudedagsvoorziening. Daarnaast sparen werknemers via hun werkgever voor een aanvullend pensioen op hun AOW. De premies die ze verplicht afdragen (of die de werkgevers voor hen betalen als gunstige arbeidsregeling) en die ten goede komen aan de honderden grote en kleine pensioenfondsen in Nederland, vormen opgeteld het kolossale bedrag van 400 miljard euro. Pensioenfondsen beleggen dit geld: in obligaties, aandelen, etc. Beleggen in aandelen is niet zonder risico's, reden waarom ooit slechts een beperkt deel van het vermogen van een fonds in aandelen mocht worden belegd. Die regel is aangepast. Aandelen brengen op termijn meer op dan obligaties. Op dit ogenblik is ongeveer de helft van het vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen belegd in aandelen.

Het ging mis toen de aandelenhausse voorbij was, nu ongeveer twee jaar geleden. Wereldwijd verloren aandelen waarde. Pensioenfondsen zagen daardoor hun beleggingsrendementen sterk teruglopen. Tekenend is de positie van het ABP, het pensioenfonds voor de overheid, dat met een belegd vermogen van 147 miljard euro een van de grootste ter wereld is. In 2001 daalde het vermogen met 12 miljard euro. Het verlies op aandelen was aanzienlijk. Nu zijn maatregelen nodig, vindt de directie. Te denken valt aan premieverhoging en het aanpassen of mogelijk loslaten van de zogenoemde indexering, het waarde- of welvaartsvast houden van het pensioen.

Bij vrijwel alle fondsen hebben negatieve beleggingsresultaten en stijgende pensioenverplichtingen hun tol geëist. Pensioenen dreigen `onbetaalbaar' te worden. Een enkel fonds heeft de indexering, die in de kleine lettertjes doorgaans alleen onder voorwaarde van voldoende vermogen wordt beloofd, al gekort of geschrapt. Dit kwam als een schok, omdat indexering voor vanzelfsprekend werd gehouden. Met die mythe is afgerekend. Het staat niet langer vast dat werknemers kunnen rekenen op een eeuwig waardevast (meestijgend met de prijzen) of welvaartsvast (meestijgend met de lonen) pensioen. Voor degenen wie dat overkomt, is het bijzonder zuur. Er is echter weinig aan te doen. Onvoorwaardelijke indexatieplicht is voor pensioenfondsen – en premiebetalende werkgevers en werknemers – niet op te brengen. Hoe vervelend het ook is voor de gepensioneerden, zij zullen hun deel van de last van een duurder pensioen moeten dragen. Fondsen zullen wel tot het uiterste moeten gaan om zich aan de indexering te houden.

Iets anders is dat de pensioenfondsen nu ook willen gaan morrelen aan de dekkingsgraad, de verhouding tussen het beschikbaar vermogen en de pensioenverplichtingen. Bij het ABP is de dekkingsgraad vorig jaar gedaald tot 112 procent. Daarmee heeft het fonds 12 procent meer vermogen dan nodig is om uit te keren. De verplichte minimale dekking bedraagt 100 procent. De fondsen willen ruimte om daar tijdelijk onder te gaan. Zo ontstaat financiële armslag. Het klinkt aanlokkelijk, maar als idee moet het worden afgewezen. De risico's zijn misschien gering, maar hoe dan ook onaanvaardbaar. Ook voor het politieke debat is van belang dat géén risico's met de pensioenen het uitgangspunt blijft. Staatssecretaris Hoogervorst (Sociale Zaken, VVD) zei dat eerder al en met recht. Uitbetaling van pensioenen moet te allen tijde gegarandeerd zijn.