NIOD wilde geen morele of ethische uitspraken doen

Van verschillende kanten zijn kanttekeningen gezet bij het Srebrenica-rapport van het NIOD. J.C.H. Blom antwoordt op de belangrijkste punten van kritiek.

In de eerste reacties op het Srebrenica-rapport is terecht gewezen op slordigheden in de tekst en tekortkomingen van de personenindex. Deze onvolkomenheden zullen op korte termijn hersteld worden. Inhoudelijk onderscheidt het NIOD zes punten van kritiek: het ontbreken van een vraagstelling, gebrek aan nieuwe gegevens en inzichten, de omvang en gedetailleerdheid, de conclusie van onontkoombaarheid van de gebeurtenissen in het bijzonder van de massamoord, de vergoelijkende toonzetting en het gemis aan aandacht voor politieke en moreel/ethische aspecten.

Vraagstelling. Het kabinet vroeg het NIOD om een historische studie. Dat betekent veel aandacht voor de context waarin gebeurtenissen plaatsvonden. Bij de aanpak is de klassieke vraagstelling van wie deed wat waarom als uitgangspunt genomen. Hierbij staan de verantwoordelijkheden voor het drama van de julidagen van 1995 in en rond Srebrenica van alle betrokken actoren centraal; regionaal, nationaal en internationaal, collectief en zo mogelijk individueel. Het NIOD koos naast een historisch-chronologische opzet voor een benadering vanuit drie perspectieven: regionaal in voormalig Joegoslavië, internationale bemoeienis met het conflict, en de Nederlandse reacties en acties en hun onderlinge wisselwerking. De Nederlandse besluitvorming om troepen naar Srebrenica te sturen en de val van de safe area Srebrenica is zonder die regionale en internationale context niet goed te begrijpen.

De Nederlandse discussie werd gedomineerd door de massamoord op 7500 Bosnische moslims. Die tragische afloop kwalificeerde ook het daaraan voorafgaande handelen. Dat anachronistische perspectief bestond niet bij de besluitvorming over de uitzending en tijdens het optreden van Dutchbat in de enclave. Pas na terugkeer werd die tragische afloop bekend. Het NIOD-rapport is geschreven vanuit dit historisch perspectief.

Voor het NIOD was de grote aandacht voor context van belang voor de verklaring van gebeurtenissen, maar ook vanuit een oogpunt van fairness jegens de betrokkenen. De aard van deze benadering en de keuzen die daarbij zijn gemaakt, verklaren voor een deel de omvang van het uiteindelijke rapport. Daarnaast is in het rapport de confrontatie van beeldvorming in het publieke domein met de bevindingen van onderzoek een rode draad.

Nieuwe inzichten en gegevens. Deze aanpak heeft, anders dan is gesuggereerd, geresulteerd in een groot aantal nieuwe inzichten op hoofdpunten en onderdelen. Een van die inzichten is dat het kabinet zelf de motor was achter de uitzending van Dutchbat en niet de media en de Tweede Kamer. Tot deze categorie horen bijvoorbeeld de studie over de etnische, maatschappelijke en politieke verhoudingen in Oost-Bosnië en Srebrenica, de activiteiten van de intelligence community en de voorkennis over de aanval, de beslissing tot de massamoord van Mladic, de reconstructie van de gebeurtenissen op de `compound' in Potocari tussen 11 en 13 juli en de eerste debriefings in Zagreb.

Omvang en gedetailleerdheid. In de opdracht van het kabinet van eind 1996 lag besloten dat het NIOD in zijn reconstructie en analyse van de gebeurtenissen rondom de val van de safe area Srebrenica zoveel mogelijk helderheid zou verschaffen over alle kwesties en vragen die daarna in het publieke debat over Srebrenica zijn gerezen. Juist wegens de emotionele lading van dit debat vereiste dit een detaillering waarnaar in een andersoortige studie niet gestreefd zou zijn. Een globale beantwoording zou beslist nieuwe vragen hebben opgeroepen. Dat had twee consequenties. In de eerste plaats een veelheid aan onderwerpen. In de tweede plaats vereiste de reconstructie van de val van de enclave en de massamoorden een zeer gedetailleerde beschrijving, omdat over de precieze gang van zaken en loop van de gebeurtenissen uiteenlopende en tegenstrijdige lezingen bestonden en veel nieuwe informatie beschikbaar was gekomen. Deze detaillering maakte het bovendien mogelijk dieper tot de werkelijkheid van toen door te dringen en daarmee een beter inzicht te verwerven dan bij een globalere aanpak het geval zou zijn geweest.

Onontkoombaarheid van de gebeurtenissen. Volgens sommige critici zou het NIOD ten onrechte de onvermijdelijkheid van de gebeurtenissen, met name de massamoorden, hebben onderstreept. Voorop staat dat het rapport is geschreven vanuit de overtuiging dat een historisch proces wel onomkeerbaar is, maar zeker niet altijd onvermijdelijk. Inderdaad is de conclusie van het rapport dat de marges die er in die fase waren om de gang der gebeurtenissen wezenlijk te beïnvloeden (namelijk de voorkoming van een massamoord) zeer klein waren. Dit is echter de uitkomst van een analyse waarin de dilemma's en consequenties van beslissingen naast elkaar zijn geplaatst. Waarschuwingen die achteraf juist wegens de massamoord zoveel zeggingskracht kregen, hadden op het moment dat zij gegeven werden die lading niet, of werden om andere redenen niet als zodanig geïnterpreteerd. In dit verband is het goed eraan te herinneren dat de massamoord zich al had voltrokken toen de Bosnische regering, de VN en de intelligence community er nog van overtuigd waren dat in het stadion van Bratunac nog enkele duizenden mannen gevangengehouden werden. De massamoord vond niet plaats onder de ogen van Dutchbat, integendeel: Mladic onttrok deze bewust aan de ogen van de wereld.

`Vergoelijkende' toonzetting. Vanaf de presentatie van het rapport wordt in de media gesteld dat het rapport een rehabilitatie voor Dutchbat betekent. Het rapport hanteert deze terminologie niet, en gesteld kan worden dat verklaren noch veroordelen noch vergoelijken is. Het rapport weerlegt de sinds 1995 herhaaldelijk gedane bewering dat de massamoord onder de ogen van Dutchbat had plaatsgevonden. In het licht van het wel erg zwarte beeld dat van de Dutchbatters bestond, kan de reconstructie van het NIOD als `rehabilitatie' gevoeld zijn. Dat het rapport inzicht verschaft in de uiterst benarde situatie waarin het bataljon voor de val verkeerde, is geen vergoelijking, maar geeft een beeld van de onmisbare context waarbinnen Dutchbat opereerde.

Politieke en moreel-ethische aspecten. Het NIOD heeft er bewust naar gestreefd geen politieke of moreel-ethische uitspraken te doen. Het meent dat het doen van expliciete uitspraken over deze vraagstukken niet tot de opdracht behoorden en het rapport na publicatie zouden kunnen schaden. Dat betekent overigens allerminst dat politieke en moreel-ethische kwesties niet aan de orde komen. In elk deel van het rapport komen zaken van die orde ter sprake en wordt uitdrukkelijk gesignaleerd welke dilemma's deze voor de actoren opleverden. Het dilemma van majoor Franken op 12 juli bij de scheiding van mannen en vrouwen en de mogelijke consequenties daarvan of van een weigering tot medewerking is er slechts een. Ook is bijvoorbeeld de discussie over ethische aspecten van het conflict tussen de bataljonsleiding en de artsen over hulpverlening aan de bevolking na terugkeer in Nederland uitvoerig besproken.

In deze en andere gevallen ging het erom interpretatiekaders aan te reiken, niet als ethische scherprechter op te treden. Daarom is vermeden uitspraken te doen over het politiek, moreel of ethisch juist zijn van beslissingen en handelingen. Dat wil niet zeggen dat het NIOD die vragen niet relevant vindt, wel dat deze niet behoren tot de competentie van een historisch-wetenschappelijke studie.

J.C.H. Blom is directeur van het NIOD.