Je moet maar durven

Betere waar én tien procent korting, was ooit de slogan waarmee een inmiddels lang verdwenen kruideniersketen jarenlang reclamemaakte. De kortingen werden in de vorm van kassabonnen verstrekt. Wie als jongen, zoals ik destijds, van moeder die bonnen mocht houden voor het boodschappen doen, was dus heel trouw aan dat bedrijf. Die keten had natuurlijk een winstdoel, wist je, dus je had het vermoeden dat die kortingen op de een of andere manier – in de prijs of de kwaliteit van de aangeboden waar – wel weer zouden worden gecompenseerd. Maar dat deerde je niet, want zelf zat je met die kassabonnen immers aan de goede, meetbare kant van de rekensom. Zolang het duurde, want er kwam een dag dat moeder haar voorkeur op een andere grootgrutter bepaalde en boodschappen doen voor haar zonen weer onaantrekkelijk werd.

De PvdA is alweer regeringspartij sinds 1989, sinds 1994 ook de grootste. Zij heeft in die dertien jaar van zich doen spreken door allerlei gedachten en daden, maar niet doordat zij haar bewindspersonen geregeld sommeerde om wegens minder geslaagd beleid af te treden. Dat geldt trouwens ook voor de VVD, de tweede regeringspartij sinds 1994. Die twee partijen werden in die praktijk begunstigd door de (hun) meerderheid in de Tweede Kamer, die zich met handen en voeten aan een (hun) regeerakkoord hadden gebonden en die bovendien wisten dat het echte chefsoverleg ook over zulke kwesties werd gehouden in premier Koks `Torentje'. Zo kon het gebeuren dat er, hoewel binnen de paarse coalitie was afgesproken dat er niet kinderachtig zou worden gedaan als ministers aan vervanging toe waren, in deze personele sfeer weinig gebeurde. Dat er op beleidsterreinen als WAO, onderwijs, volksgezondheid, veiligheid en migratie af en toe behoorlijk wat misging, of bleef misgaan, deed daaraan niet af.

Sinds vorig najaar is duidelijk dat steeds meer kiezers zich zijn gaan ergeren aan de laconieke wijze waarop `de politiek', respectievelijk `Den Haag', reageert op minder gelukte resultaten van haar inspanningsverplichting. Namelijk: door het houden van een Kamerdebat, desnoods nóg een Kamerdebat, en daarna een min of meer rituele belofte van beterschap. Pim Fortuyn heeft, eerst in zijn Leefbare verschijningsvorm, daarna met zijn eigen lijst, zijn aanhang onder ontevreden kiezers vooral ook weten te verwerven met zijn suggestie dat de landelijke en plaatselijke overheid zich meer moeten laten `afrekenen' op vooraf vermelde, zo concreet mogelijke doelstellingen.

Sinds gisteren heeft Fortuyn in de PvdA en haar lijsttrekker Ad Melkert nieuwe medestanders op dit stuk. Ministers moeten een resultaatsverplichting aangaan, zij moeten aftreden indien zij binnen een bepaalde termijn, zeg honderd dagen, hun belofte (hun ,,contract met Nederland'', aldus Melkert gisteren), niet waarmaken. Je moet zoiets maar durven, na de afgelopen dertien jaar. En je moet zoiets maar durven, als nieuwe minister, die natuurlijk vooraf niet weet welke onvoorziene omstandigheden of nadere overwegingen van collega-ministers honderd dagen later al tot verplicht vertrek kunnen leiden. En wie zou zo'n contractbreuk vaststellen? De Tweede Kamer? Op basis van een regeerakkoord, dat als het ware de bepalingen van de diverse beleidscontracten bevat? En, zo ja, moet er dan een nóg gedetailleerder regeerakkoord komen en daardoor een nóg tandenlozere Kamermeerderheid? Dat wordt mooi boodschappen doen: én betere waar én tien procent én de laagste prijs.

Contract met Nederland? Lust ge nog een peul, liet Wim Sonneveld zijn frater Venantius ooit namens Schin op Geul zeggen. Zou het niet veel beter zijn, voor de terugkeer van het politieke debat aan het Binnenhof bijvoorbeeld, wanneer er met een beknopt regeerakkoord op hoofdlijnen zou worden gewerkt? Zodat Kamer en regering duidelijk zichtbaar hun eigen verantwoordelijkheid hebben, en de Kamer haar controlerende taak vrijer kan vervullen en een deel van de terecht gekritiseerde Haagse mist verdwijnt? Want men make zich geen illusies. Als er straks, in de komende coalitie, weer zoveel wederzijds wantrouwen moet worden bezworen in een fijnmazig regeerakkoord, zullen ook allerlei prachtige ministers-contracten weinig helpen.

Waarom zouden ministers, waarom zouden politici in het algemeen, zich trouwens alsmaar in het stof moeten wentelen om bij de kiezers in het gevlei te raken? Waarom hebben die lijsttrekkers bijvoorbeeld afgelopen zaterdag niet geweigerd als lardering van de Soundmixshow te fungeren, dan wel die show als lardering van hun optreden te aanvaarden? Ligt er in hun bereidheid om daar wèl te verschijnen, of in de zo `nieuwsmakende' dagelijkse infotainmentsessies van het RTL-trio Barend, Van Dorp en Mulder, niet een impliciete miskenning van het belang van hun bezigheden en van het onderscheidingsvermogen van grote groepen kiezers? Ja, maar de kijkcijfers, roepen de campagneteams. Laat ze roepen. En roep terug, op het gevaar af voor elitair te worden gehouden: dag hoor, wij doen niet mee aan exercities die in hun kern antiparlementair zijn, wij gaan niet als verdachten bij u in een bankje zitten met de plicht om onze onschuld naar uw genoegen en op uw voorwaarden te bewijzen. Maar, helaas, dat zeggen zij niet. Zij gáán, desgevraagd met een blij gezicht, vangen elkaar een paar vliegen af, leggen bliksem-statements af over te veel onderwerpen in te weinig minuten en seconden en vertrekken met een kater naar huis.

Het verschijnsel is van alle tijden, toegegeven. Den Uyl zat ooit bij André van Duin. Hij had gevoel voor humor, hij lachte althans wel eens, zoals Jaap Fischer zong, maar zat natuurlijk onthand bij Van Duin. En er waren die volksvertegenwoordigers die dicht bij de kiezers meenden te komen door af en aan te rennen in de modder van Sterrenslag. Zo had de eerste na-oorlogse (West-Duitse) Bondspresident, de sjieke FDP'er Theodor Heuss, helemaal niets met voetbal en dat wilde hij eigenlijk ook zo houden. Maar ten slotte gaf hij zijn verzet tegen zijn raadgevers op en verklaarde zich bereid om het Duitse elftal dat in 1954 wereldkampioen was geworden te huldigen. Aanvoerder Fritz Walter stelde zijn spelers voor, onder hen middenvelder Max Morlock. ,,U bent de keeper'', zei Heuss. ,,Jawohl, Herr Bundespresident'', zei Morlock braaf en klakte met de hakken. Duitsland heeft er nog jaren om gelachen.