In Bethlehems Geboortekerk overheerst de angst

In de Geboortekerk in Bethlehem zijn de omstandig- heden voor de 200 Palestijnen die zich er al weken verbergen verschrikkelijk. ,,Zwaarder dan de Israëlische gevangenis.'

Voor de eerste keer in zijn leven werd de zestienjarige Abdelhaj Yusuf Abu Srur afgelopen donderdag door zijn vader en moeder uitbundig gezoend. ,,Dat had ik nog nooit meegemaakt', zegt hij met een ongemakkelijke trek om zijn mond. Donderdag was Abdelhaj met acht leeftijdgenoten vrijgekomen uit de Geboortekerk in Bethlehem, waar hij sinds 2 april met ongeveer 200 andere Palestijnen vastzat. Ze waren de kerk binnengevlucht toen de Israëliërs Bethlehem binnenvielen. Onder hen zijn de gouverneur van Bethlehem, notabelen, politieagenten, burgers en een onbekend aantal strijders. Israël eist hun overgave, de strijders eisen immuniteit of een vrijgeleide naar de Gazastrook.

Vorige week kwamen Israël en Palestijnse onderhandelaars de berging overeen van twee lijken die al drie weken in de kerk lagen te vergaan. De lichamen werden naar buiten gedragen door negen jongens, onder wie Abdelhaj. Na uitgebreide ondervragingen door het Israëlische leger werden ze naar huis gestuurd. Abdelhaj is een verlegen jongen, derde generatie vluchteling met vier broers en acht zussen. Op zijn dertiende ging hij van school om automonteur te worden. Door de intifada is hij nu al anderhalf jaar werkloos. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar alles wijst erop dat hij de afgelopen maanden lid was van een gewapende militie.

,,Het was verschrikkelijk, zwaarder dan de Israëlische gevangenis', zegt Abdelhaj opeens, na een uur. Tot die tijd heeft hij alleen het verhaal afgedraaid dat er kennelijk bij hem is ingestampt: dat er perfect wordt gezorgd voor het interieur van de kerk en de christelijke heiligdommen. Dat iedereen de hele dag niets anders doet dan schoonmaken en bidden. Hoe ze alleen de eerste paar nachten hebben geslapen in de grot waar Jezus zou zijn geboren, en daar niets hebben beschadigd. Dat er nooit conflicten waren tussen de in meerderheid islamitische Palestijnse strijders en burgers aan de ene kant, en de Armeense, Grieks-orthodoxe en katholieke nonnen en geestelijken van de kerk aan de andere kant. En dat de vernielingen aan heiligdommen en diefstal van gouden kruisen het werk waren van ,,Israëlische spionnen binnen de kerk' die echter ,,zijn betrapt en opgesloten'.

Maar na een uur breekt Abdelhaj, zoals hij ook in de kerk brak. Hij vertelt hoe er nauwelijks voedsel is in de kerk, en de aanwezigen het moeten doen met één maaltijd per dag: een soort soep gemaakt van kruiden uit de tuin van de kerk, waar iedereen enorme buikpijn van krijgt. Dat er maar een toilet is, zonder water, voor 200 mensen. Hoe 's nachts vijf mensen onder één deken op de stenen vloer slapen, terwijl Israël de hele nacht geluidsbommen afschiet. Hoe prikkelbaar en chagrijnig iedereen is, uit angst voor de Israëlische scherpschutters, en omdat er geen sigaretten meer zijn.

Na twee dagen werd de elektriciteit afgesloten en was men volledig afgesloten van de buitenwereld. Geen radio, geen televisie en geen telefoon, enkel het geluid van de Israëlische explosies en luidsprekers die opriepen tot overgave. Soms mochten de gouverneur en een advocaat naar buiten om te onderhandelen met de Israëliërs. Dan laadden ze stiekem hun mobiele telefoons op zodat weer even wat contact met buiten mogelijk was.

En toen werd ook nog Abdelhajs beste vriend Usam Jawab door zo'n Israëlische scherpschutter geraakt. Medische zorg ontbrak en Abdelhaj moest toezien hoe Usam in anderhalve dag praktisch leegbloedde.[Vervolg BETHLEHEM: pagina 5[

BETHLEHEM

'Israëliërs pakken me nog wel'

[vervolg van pagina 1] Pas toen werd zijn vriend geëvacueerd. Enkele uren later stierf hij in een Israëlisch ziekenhuis. ,,Ik heb steeds nachtmerries', vertelt Abdelhaj achter de portretten van een oom en een neef die in de eerste intifadah door Israël zijn doodgeschoten. ,,In de kerk werd ik dan om vier uur 's nachts opeens schreeuwend wakker: Usam! Dan kwam een non mij troosten.'

Het is een vreemde gewaarwording om weer terug te zijn in het piepkleine huis van zijn familie in het vluchtelingenkamp Aida, zegt Abdelhaj.

,,Mijn kameraden zitten allemaal in die kerk, ik ben hier en niemand om mij heen begrijpt wat ik heb meegemaakt. Hier heb je alles en kan ik goed eten en slapen. maar in de kerk had je een soort verbondenheid, iedereen hielp elkaar. Het is vreemd'.

En dan al die buitenlandse journalisten, gasten en mensenrechtenactivisten die zich de afgelopen week door de belegerde straten van Bethlehem waagden om Abdelhajs verhaal op te tekenen. ,,Ik voelde me soms bijna de nieuwe Palestijnse president', zegt hij en hij lacht voor de eerste keer in anderhalf uur.

Hij voelt zich even veilig. Maar dan? ,,Zolang de situatie niet is opgelost zullen de joden me niets doen want dat kost ze negatieve publiciteit', vervolgt hij weer serieus.

,,Maar ooit zijn de camera's weg. Dan komen de Israëliers terug, en dan pakken ze me.'