Cultureel beleggen vervangt subsidies

Cultureel beleggen is een nieuwe mogelijkheid om te investeren. De overheid trekt zich terug, particuliere geldschieters nemen het graag over. Maar de vraag is of er wel genoeg projecten zijn.

Goed nieuws voor beleggers die niet alleen de aandelenkoersen in de gaten houden, maar ook iets goeds willen doen met hun geld: na groen beleggen, sociaal-ethisch beleggen (projecten in de Derde Wereld) en durfkapitaal (voorheen de regeling `tante Agaath') wordt nu ook cultureel beleggen fiscaal aantrekkelijk gemaakt. Of het nu gaat om een verbouwing van poppodium Paradiso, de aankoop van een topstuk voor een museum of de aanschaf van bijzondere muziekinstrumenten voor het Concertgebouworkest, als een project is goedgekeurd door de Mondriaanstichting of het Fonds voor de Podiumkunsten kan een particuliere belegger tot 2,5 procent fiscaal voordeel behalen. Zodra de banken zogeheten cultuurfondsen hebben opgezet, gaat de regeling, die gisteren voor vertegenwoordigers van financiële en culturele instellingen werd gepresenteerd, met terugwerkende kracht per 1 januari van dit jaar van start.

Hoewel nog lang niet alle details van het cultureel beleggen duidelijk zijn, ziet de nieuwe regeling er in grote lijnen als volgt uit: om officieel `cultureel fonds' te mogen heten, dienen banken die een dergelijk fonds beheren het hierin belegde geld voor ten minste 70 procent te beleggen in goedgekeurde culturele projecten. Die moeten het belang van de Nederlandse podiumkunsten dienen of dat van de Nederlandse musea en enig rendement opleveren in de vorm van extra inkomsten. De overige 30 procent mag in `normale beleggingsproducten' worden geïnvesteerd. De sociaal bewogen belegger is wel aan een plafond gebonden: per belastingplichtige mag 48.000 euro belastingvrij worden belegd in een groenfonds of een sociaal-ethisch fonds en nog eens 48.000 euro in een cultureel fonds en/of durfkapitaal. Beleggers in een cultureel fonds genieten een fiscaal rendement van 2,5 procent (een vrijstelling van 1,2 procent vermogensrendementsheffing plus een heffingskorting van 1,3 procent van het in het cultuurfonds belegde vermogen), onafhankelijk van het risico van de belegging. Daarnaast hebben ze, als het project rendabel is, economisch rendement op hun belegging in de vorm van rente of dividend. Het fiscale voordeel kan min of meer worden weggestreept tegen het lagere rendement van culturele beleggingen. Het voordeel kan echter hoger uitvallen als een cultuurfonds inderdaad 30 procent van de inleg aan `normale' beleggingsproducten besteedt. Afgesproken is wel dat dit een belegging met gering risico moet zijn, bijvoorbeeld staatsobligaties.

Het stimuleren van cultureel beleggen is voor de overheid een middel om op termijn minder subsidies te hoeven uitkeren aan cultuurinstellingen, zo werd gisteren bij de presentatie duidelijk. De overheid trekt zich steeds verder terug als vaste financier en het cultureel ondernemerschap wordt gestimuleerd. Maar ook worden cultuurfondsen een instrument om instellingen die nu niet worden gesubsidieerd een steun in de rug te geven. Of om meer eigen vermogen op te bouwen en zo goedkoper te kunnen lenen bij de bank. Staatssecretaris Bos (Financiën) erkende dat het fiscaal stimuleren van culturele doelen op gespannen voet staat met de successierechten die nu nog moeten worden betaald over schenkingen aan culturele instellingen. Worden deze afgeschaft, dan scheelt dat de Nederlandse cultuur naar schatting 64 miljoen euro per jaar.

De culturele instellingen lopen zich reeds warm voor de nieuwe regeling. Alleen de schouwburgen en theaters in Nederland hebben met elkaar al voor miljoenen euro's verbouwingsplannen klaarliggen. En bij monde van financieel goed ingevoerde bestuurders als respectievelijk oud-beurstopman B. van Ittersum en R. Rogaar van Theodoor Gilissen Bankiers lieten ook het Rijksmuseum en het Concertgebouworkest weten het geld van beleggers graag te verwelkomen voor een topschilderij, een bijzonder muziekinstrument of een topmusicus, allemaal investeringen waar nu meestal te weinig geld voor is. Vraag bij overheid en banken is alleen nog of er voldoende geschikte projecten gevonden zullen worden om alle kunstminnende geldschieters te kunnen bedienen.