Bakstenen

Nederland is een vlak land. Het is even slikken, maar het is de bittere waarheid. Ons hoogste punt, het `drielandenpunt' bij Vaals, verheft zich op de wereldkaart als de tepel van een kind van acht. Bij plotselinge afkoeling. Het tepeltje moeten we ook nog eens delen met België en Duitsland. De Amstel Goldrace lijkt uit een minderwaardigheidscomplex geboren. Onze grote wielerklassieker schreeuwt het uit: we zijn géén vlak land. Drieëndertig heuveltjes waren er voor nodig om het bewijs te leveren. Met een beetje vals spel uiteraard. De Cauberg werd drie keer bestegen. Dus werd er afgelopen zaterdag toch nog behoorlijk afgezien in het enige puisterige hoekje van het land.

Toen ik twaalf was, verkeerde ik in hoge geestelijke nood. Ik had me voorgenomen beroepswielrenner te worden van het type klimgeit. Ik wás namelijk een klimgeit. Alleen had ik dat in de vlakte van de Peel nog niet kunnen bewijzen. Maar ik had mijn relaties. Een halfbroer van mijn moeder woonde in Brunssum, daar helemaal beneden in het mythische zuiden waar de bergen waren. Op een dag in de zomervakantie fietste ik er heen in het gezelschap van een buurjongen die, voor de goede orde, géén klimgeit was. Ook dat bewijs was nog niet geleverd. Hoe dan ook, we mochten een week logeren in Brunssum. We hadden fietsen die erg veel leken op racefietsen. En we droegen petten. Van die legerpetten met een lange klep. Brunssum werd onze uitvalsbasis.

Zo vonden we de Cauberg. Een hele dag besteedden we er aan. We beklommen de berg en we daalden hem weer af. Als monomane gekken. Valkenburg uit, Valkenburg in. Dronken van geluk was ik. Eindelijk een echte berg! Eindelijk thuis. Mijn buurjongen ontdekte wat ik al wist: hij was niet geschapen voor het klimwerk.

Het afdalen was sensationeel. We lieten ons vallen als bakstenen, zoals dat zo mooi heet. We passeerden auto's! Met een vaartje van zestig, zeventig doken we het drukke centrum van Valkenburg in. Ik herinner me dat mijn achterrem defect was – een gebroken kabeltje. Maar dat ik nu bang was om op een overstekende toerist te knallen, neen. Ik dacht ook niet: als mijn moeder dit ziet krijgt ze een beroerte. In mijn hoofd speelden zich andere dingen af. Ik waande mij op weg naar een grote overwinning en hoorde een televisiecommentator vol bewondering prevelen: ,,Kijk die Winnen toch eens gaan. Zijn achterrem kapot, en toch nog het lef hebben om met een hand zijn pet achterste voren op het hoofd te zetten''.

Overigens is mijn buurjongen later in de motorsport gegaan.