Verzamelaar zonder grenzen

Grootindustrieel en kunstverzamelaar Hans Hein baron Thyssen-Bornemisza, die in de nacht van vrijdag op zaterdag op 81-jarige jarige leeftijd overleed in zijn villa in Catalonië, bezocht een aantal jaren geleden het Mauritshuis in Den Haag. Dankzij zijn omvangrijke, onbekend gebleven bijdrage had het museum een elegant 17de-eeuws bloemstilleven van Jan. Davidsz. De Heem kunnen aanschaffen. Het museum was hem dankbaar, en de weldoener liet zich de sobere ontvangst welgevallen.

Ach, die gift was niet meer dan een klein gebaar uit dankbaarheid, zei hij in het Nederlands van prins Bernhard. Als kind had hij het in zijn geboortestad Den Haag zeer naar zijn zin gehad. Op weg naar school keek hij altijd even van zijn fiets op naar de gevel van datzelfde Mauritshuis. Nee, als jongetje was hij er nooit binnen geweest.

Hij vertelde nog over zijn gymnasium-opleiding en zijn tennislessen hier. Even leek hij in gedachten verzonken, alsof hij opnieuw afscheid nam van Den Haag, van zijn gouvernante ook, een joodse dame die in 1940 zelfmoord pleegde en die hij tweemaal nadrukkelijk bij naam noemde, en van de stad waar hij ondanks de scheiding van zijn ouders een plezierige jeugd had gehad.

Hans Heinrich baron Thyssen Bornemisza werd later de eigenaar van zo'n 1.600 schilderijen, de belangrijkste kunstcollectie ter wereld – op die van het Britse koningshuis na. `Wat hangt hier eigenlijk niet?', schreef K. Schippers in deze krant verbijsterd toen hij in 1983 voor het eerst de in het lommer verscholen Villa Favorita in Lugano bezocht. Hij liep langs werken van Holbein, Dürer, Cranach, Saenredam, Rembrandt, Fra Angelico, Pieter de Hooch, Piero della Francesca, Goya en Jan van Goyen. Een kolossaal complex, dat Thyssens vader in 1932 had aangekocht van prins Friedrich Leopold van Pruisen en waar zoon Hans Heinrich vanaf 1947 het merendeel van zijn bezit zou onderbrengen.

Hans Heinrichs vader Heinrich baron Thyssen-Bornemisza (1875-1947) had in de jaren dertig de basis gelegd voor deze verzameling. Hij was daartoe in staat door het vermogen dat zijn vader August Thyssen (1842-1926) wist te vergaren met een ijzer- en staalfabriek. Tot 1939 zou datzelfde bedrijf, onder leiding van Fritz Thyssen, Hitler van harte steunen in zijn mars naar de macht. Fritz' broer, Hans Heinrichs vader, wilde echter niets met de nationaal-socialisten te maken hebben en vestigde zich met zijn echtgenote, de Hongaarse baronesse Bornemisza, in Nederland. De fabriek is inmiddels uitgegroeid tot de multinational TBG (Thyssen-Bornemisza Group) met een miljardenomzet in sectoren als haven en transport, landbouwmachines en informatietechnologie.

Het is de verdienste van de nu overleden `Bilderbaron', tot voor kort nog nauw bij het concern betrokken, dat hij vanaf de jaren zestig de 800 doeken tellende collectie van zijn vader – werken vanaf de 13de tot en met de 17de eeuw – verder uitbouwde naar de 19de- en 20ste-eeuwse klassieken. Deze `modernen' kwamen grotendeels terecht in zijn Engelse buitenhuis Daylesford, Gloucestershire.

Zijn vader mag dan beweerd hebben dat er na de 17de-eeuw niets meer was geschilderd dat de moeite waard was, de zoon kocht in hoog tempo werken aan van onder anderen Kokoschka, Picasso, Braque, Mondriaan, Schwitters en Ernst. Vooral de Duitse expressionisten konden op zijn aandacht rekenen: ,,Het feit dat deze kunstenaars waren onderdrukt door het nationaal-socialistische regime en dat hun kunst officieel als `entartet' was gebrandmerkt, was voor mij een extra stimulans om ze te verzamelen'', schreef hij in een catalogus. Maar ook de doeken van – toen – nog levende schilders als Lucian Freud, Kitaj of Balthus nam hij in zijn collectie op. Zijn liefste doek bleef het portret van Giovanno Tornabuoni, geschilderd door Domenico Ghirlandaio. ,,Het is perfect'', zei Thyssen in een interview in 1988. ,,En er is iets wonderlijks mee; het wordt nooit vuil; het behoeft nooit te worden schoongemaakt.''

Op zoek naar een `veilig tehuis voor de 21ste-eeuw' besloot Thyssen eind jaren tachtig met zijn collectie uit Lugano te vertrekken. Daarmee nam hij wraak op de stad Lugano en het kanton Ticino die niet bereid waren de gedeelteijke financiering van een uitbreiding van de Villa Favorita op zich te nemen. Diverse Europese stadsbesturen, maar ook de regeringen van Japan, Engeland en Duitsland hebben zich daarna ingespannen om de collectie als toeristische attractie binnen te halen.

Thyssen koos uiteindelijk voor Madrid. In 1993 werd de collectie door de Spaanse regering aangekocht voor ruim 250 miljoen euro, en werd het paleis Villahormosa bij het Prado gerestaureerd om de collectie te huisvesten. Thyssens vijfde en laatste echtgenote Carmen `Tita' Cervera, Miss Spanje in 1961, moet de grootste pleitbezorgster van dit nieuwe onderkomen zijn geweest. Zij was het ook die zich boog over de inrichting van de Villahormosa. Onder haar supervisie kreeg het paleis roze getinte wanden.

Voor de `fijnproevers', zoals Thyssen beweerde, opende een jaar later in Barcelona, Carmens geboortestad, nog een tweede Thyssen-Museum. In tegenstelling tot Madrid, waar de 20ste eeuw sterk is vertegenwoordigd, herbergt het 14de-eeuwse gotische Monasterio de Pedralbes tussen zijn zuilengalerijen alleen oude kunst; werken van onder anderen Fra Angelico, Lucas Cranach, Zurbaran, Tintoretto, Tiepolo en Canaletto.

Het is Thyssen, die vijf kinderen nalaat, gelukt zijn bezit veilig te stellen. Binnen de familie woedde de afgelopen jaren een juridische strijd om zowel de industriële groep als de kunstverzameling, met een geschatte waarde van drie miljard euro. Na vier jaar juridisch gesteggel op Bermuda troffen de strijdende partijen een schikking, waarvan de details nooit bekend zijn gemaakt. ,,De familie betreurt het in hoge mate dat een zekere verdeeldheid heeft geleid tot het beginnen van een juridische procedure, waarvan verder wordt afgezien...'', aldus een korte verklaring die in februari dit jaar het licht zag. Heinrich Thyssen heeft nog net beleefd dat de strijd rond zijn erfenis vooralsnog tijdens zijn leven is beslecht.

Het was zijn streven, zei hij nog in december vorig jaar, dat jaarlijks een miljoen mensen zijn doeken in Madrid zouden komen bekijken. In 1993 waren het er al 700.000. Thyssen zal ongetwijfeld postuum zijn zin krijgen. Gelukkig maar, dat hij in schoonheid investeerde.