Column

Supporter

Het kunstgrashockey heb ik als speler niet meer meegemaakt. Ik heb de heerlijke geur van een goede sliding nog mogen ruiken. Ik was keeper in het achtste van de Gooische Hockey Club. In die tijd droeg je als keeper handschoenen, vierkante klompen om je voeten, beenbeschermers en een toc. Dat was een halve metalen kokosnoot om je edele delen te beschermen. Bij de strafcorner zette je een masker op. Dat kocht je toen nog op de honkbalafdeling. Een gewoon catchersmasker.

En ik was bang. Doodsbang. Vooral bij strafcorners. Als er niet goed uitgelopen werd en het kanon van de tegenstander kreeg de kans om de schieten, dan stond je vogelvrij op de doellijn. En bij het achtste werd natuurlijk niet goed uitgelopen. Een geflipte accountant, een verzekeringsadviseur, een chronische zatlap, een student econometrie, een stotteraar met rugproblemen en ik stonden in het doel te trillen. De bal werd aangegeven, dan door de tegenstander met de hand gestopt en daarna volgde de snoei. Het projectiel kwam op je af. Wat was de bedenktijd? Twee seconden? Je gaf een reflex en soms kwam hij tot je verbazing op je klomp of op je handschoen. Dan oogstte je applaus. Maar meestal ging de bal hard op de plank. Dodelijk geluid voor een keeper.

Als je de wedstrijden van toen nu zou uitzenden, dan zou iedereen denken dat het slowmotion is. Zeker de wedstrijden van Gooische 8, waar uiteraard geen opnames van bestaan. Zo traag, zo suf, zo dom. Inmiddels gaat alles tien keer zo snel. Ik bezoek af en toe nog een potje en vooral bij jongenshockey gaat de bal zo hard, dat ik regelmatig mijn hart vasthoud. Het rare is dat je relatief weinig blessures ziet. Hockeyers zijn alert, hebben de bal continu in de gaten en bukken op tijd. Tot de bal een keer van opzij komt. Dan kan het verschrikkelijk mis gaan. Ik wens Karel Klaver van de hockeyclub Bloemendaal heel veel beterschap, hoop dat hij gauw weer kan spelen, maar als ik de hockeybond was zou ik de regels toch nog maar een keer nakijken.