Peilingen onderschatten aanhang Fortuyn

Peilingen kunnen de ontwikkelingen in de politieke voorkeur onder de kiezers goed weergeven. In de tijd gezien is duidelijk vast te stellen of een partij aan electorale kracht wint of verliest. Maar peilingen die vandaag worden gehouden zeggen nog niets over de verkiezingsuitslag over drie weken. Alleen de laatste peiling, gehouden op de dag voorafgaande aan de verkiezingen, dient natuurlijk een goede voorspelling te zijn van de uiteindelijke verkiezingsuitslag.

De belangrijkste oorzaak van een verschil tussen de laatste peiling en de verkiezingsuitslag ligt in het feit dat kort voor de verkiezing zo'n derde deel van de kiezers nog niet weet wat te stemmen. Een deel daarvan komt niet op, maar een ander deel gaat wel stemmen. En hun stemgedrag wijkt normaliter af van het stemgedrag van degenen die het al wel weten. Stel dat de helft van degenen die het vooraf nog niet weten wel opkomen en dat zij 10 procent meer stemmen op partij A dan de groep die het al weet, dan zal partij A in de werkelijkheid ongeveer 2 procent meer scoren dan de laatste peiling aangaf.

En het is interessant vast te stellen dat voor alle Tweede-Kamerverkiezingen van de afgelopen veertig jaar gold dat wanneer een nieuwe partij eraan meedeed die direct tussen de 3 en 5 procent haalde, de voorafgaande peiling die partij met zeker 2 procent onderschatte. Dit was het laatst het geval in 1994 met de ouderenpartijen.

Er mag dus verwacht worden dat ook bij de komende verkiezingen de nieuwe partij die sterk aanslaat door de peilingen wordt onderschat. Alleen dit keer gaat het niet om een partij die direct 3 à 5 procent haalt, maar in ieder geval meer dan 10 procent lijkt te gaan halen. En de vraag is nu of de onderschatting dan ook weer 2 procent is, zoals bij voorgaande verkiezingen of een hogere waarde.

Een aanwijzing voor een antwoord geeft een aantal gemeenteraadsverkiezingen. Bij verkiezingen in Hilversum in 1994 en 1998 was de prognose vooraf (en die werd al door de lokale partijen gezien als een extreem hoge score) meer dan 6 procent lager dan de werkelijke uitslag (20 procent en 35 procent).

Ook in andere gemeenten waar een Leefbaar Partij direct goed scoorde en onderzoek werd gedaan was er een vergelijkbaar resultaat. Toen eind februari Intomart in Rotterdam een score voorspelde van 10 à 20 procent voor Pim Fortuyn, kon dus worden verwacht dat het zeker veel meer zou worden (en het werd 35 procent, 15 procent meer dan Intomart als bovengrens had aangegeven). De conclusie moet dan ook zijn dat zelfs de laatste peiling vlak voor de verkiezing een forse onderschatting van de aanhang van Fortuyn zal geven.

Op basis van deze ervaringgegevens is het mogelijk de feitelijke scores te schatten die de grote partijen op dit moment hebben. Het verschil van zeven zetels voor de Lijst-Fortuyn dat tussen peilingen van het NIPO en Inter/View zat, is te verklaren door het feit dat respondenten bij de NIPO-aanpak de keuzes min of meer anoniem kunnen opgeven terwijl ze dat bij Inter/View telefonisch moeten doen. Er is een groep kiezers, met name van min of meer linkse herkomst, die niet graag wil zeggen dat men op Fortuyn stemt. Vandaar dat de PvdA veel hoger scoort bij Inter/View dan bij het NIPO.

Alles in ogenschouw nemende, denk ik dat op dit moment het CDA tussen 30 en 33 zetels staat, evenals de PvdA. De Lijst Fortuyn schat ik op dit moment tussen de 30 en 36 zetels in. De VVD staat duidelijk op de vierde plaats met een score van rond de 25 zetels.

De laatste weken zullen met name bepalen wat de eindstand wordt tussen de drie partijen aan kop. Het zou me echter niet verbazen als Fortuyn als eerste zal eindigen. Ik geef het CDA daarna de meeste kans en dan pas de PvdA.

Eén ding is in ieder geval zeker. De opkomst zal op 15 mei duidelijk hoger zijn dan de 70 procent van vier jaar geleden. Niet de veel ruimere openstelling van de stembureaus is daarbij het breekijzer geworden, maar het feit dat er nu wel echt iets te kiezen valt. Wellicht een nieuwe aanwijzing van de kiezers voor de politiek.

Drs. Maurice de Hond is deskundige op het gebied van verkiezingsonderzoek.