Moord

Ooit maakte ik een duinwandeling met schilderes J., toen wij werden opgeschrikt door een doordringend gesnerp. Het werd voortgebracht door een piepklein wit katje dat op zijn krent tussen de struiken zat. Schilderes J. pakte hem op en stak hem in haar jaszak. Zo verscheen Witte voor het voetlicht van de geschiedenis.

Witte was anders dan alle katten die ik ooit heb ontmoet. Elke normale christelijke kat rent weg voor de stofzuiger – Witte ontwikkelde al vlug een sensuele liefde voor het apparaat. Als hij verscheen ging hij er voor liggen, intens genietend als hem de losse haren uit de pels werden gezogen. De straat overstekend kwam hij ooit onder een auto. Ik viel bijna flauw, maar hij verscheen aan de achterkant, monter als altijd en ongehavend, zij het licht beroet, en gaf er geen blijk van dat hem iets bijzonders was overkomen. Anderzijds kon hij plots geweldig schrikken van niets bijzonders, en moest met veel geaai en gefleem worden gekalmeerd.

Sommige raadsels werden door de dierenarts opgelost. Witte was stokdoof en aan het linkeroog blind. Wat hem van die zijde naderde, zag hij niet. Maar andere raadsels blijven tot op heden raadsels.

Was hij een raskat? Overleg met kattenkenners en eindeloos geblader in kattenboeken leidden tot niets. In zijn volwassenheid was Witte een kolossale kater, zonder de zware logheid van Hollandse katers. Een elegante, slanke verschijning, onmiskenbaar gebouwd naar Siamees design maar dan veel groter; een atleet van olympisch niveau en, helaas, uitermate handig en slim.

Schilderes J. en ik woonden toen in een rijtjeshuis: twee woonblokken met aangrenzende achtertuinen, opgedeeld in onafhankelijke vorstendommen door de residerende katers. Wittes eerste taak bestond eruit iedereen in te prenten dat de politieke verhoudingen gewijzigd waren. Die oude, lokale prinsen konden domweg niet tegen hem op. Deels vanwege zijn kracht en inzet, deels omdat hij alle regels overboord gooide. Een katerduel gaat gepaard met dreigend gestaar, luguber gegil, dreigend opstaan, weer gaan zitten, opnieuw staren, enzovoort. Witte baseerde zijn tactiek op de Blitzkrieg. Hij sprong als een gazelle over de schutting en begon onmiddellijk te meppen; een half dozijn onafhankelijke vorsten reducerend tot sidderende vazallen.

Hij had meer te bieden. Deuren werden moeiteloos geopend, ook de deur van de ijskast. Die ontruimde hij met een paar halen van zijn poot. Alles wat aangevreten kon worden werd aangevreten. Pakken melk omgegooid. Sporen van in zuivel gedoopte kattenpoten voerden naar slaapkamer of kleerkast, waar hij gelukzalig lag te maffen. Wij probeerden van alles om hem te fnuiken, maar niets hielp. Tenslotte monteerde schilderes J. een speciale klamp die zelfs een beroepskraker zou stoppen. Drie dagen week hij niet van de ijskast; soms zittend en starend, soms op de achterpoten staand en aan de klamp werkend. Toen had Witte het systeem onder de knie en de klamp verwerd tot een loos ornament

Wij konden ondanks alles niet boos op hem worden. ,,Hij is niet slecht'', zei schilderes J. ,,Hij heeft een overdosis levensvreugde geslikt.'' En zo was het. Altijd in voor een spelletje, altijd in de weer met knikkers, veren, propjes – voor Witte was het leven één groot jubelend carnaval en hij stortte zich met overgave in de maalstroom des modernen levens.

Als de buren er maar niet geweest waren! Al gauw bereikten ons de eerste klachten, en ze namen alarmerend toe. Een Zeer Christelijke familie, rond het avondmaal verzameld en in gebed verzonken, mocht na het Amen opmerken dat ook Witte zich aan de dis had geschaard en met evangelische vrijmoedigheid uit de schalen at. Een oudere dame, in het schemeruurtje van Mozart genietend, onderging een totaal nieuwe ervaring omdat Witte op de draaitafel sprong eens lekker tegen de naald tikte.

Witte groeide uit tot een gespreksonderwep bij de barbecue. Mensen wedijverden wie het sterkste verhaal over hem wist op te dissen. Hij prijkt op dozijnen kiekjes, meestal nogal vaag want hij stond nooit lang stil.

Toen, in het laatste jaar van ons verblijf, werd Witte van de voorpagina's verdreven door een grotere sensatie: moord! Meneer Kluns, een veertigjarige, alleenwonende kantoorman, lag dood in zijn eigen keuken, vleesmes in de hand. Het huis was door een bende vandalen overhoop gehaald. Drugs? Dolgeworden schandknaap? Hij leek zo'n nette man!

De politie kwam op bezoek; een oudere man en een politiemeisje met een sexy leren tuigje om. De rechercheur was duidelijk: meneer Kluns had een inbreker betrapt, greep een mes en bezweek aan een hartaanval. Geen sprake van moord. Terwijl hij sprak verscheen een montere gedaante in het keukenraam en stevende recht op het politiemeisje af, kopjes gevend en op haar schoot springend.

De inbreker had een geweldige chaos aangericht, de ijskast gevandaliseerd, twee flessen wijn te pletter gegooid en zelfs meneer Kluns' grote liefde, zijn tropisch aquarium, omver gesmeten. Ja mevrouw, er zitten nare knapen tussen. Zijn enige vraag betrof de afdrukken van kattenvoeten, gestempeld in zuivel, die overal in huis te vinden waren.

Schilderes J. legde het moeiteloos uit. Die pootjes waren van Witte. Witte was heel nieuwsgierig en het kabaal moet hem hebben aangetrokken. Het was zeker denkbaar dat hij was gaan kijken en zo zijn zolen had besmeurd. Daarmee was voor de rechercheur alles verklaard.

Maar niet voor mij of schilderes J. Ik zie haar nog vaak, maar zij noch ik heeft ooit het onderwerp aangesneden. Witte is allang dood en ligt begraven onder een bremstruik, nog steeds licht en liefde verspreidend. De vraag: wie heeft meneer Kluns een hartaanval bezorgd? blijft taboe. Wat schilderes J. denkt, weet ik niet. Ik weet wat ik zelf denk. Maar ik houd mijn mond.