Maria Callas

De herdenking van de 25ste sterfdag van Maria Callas op 16 september werpt zijn schaduwen vooruit. Als nummer 100 in de serie `Great Recordings of the Century' komt EMI nu met een gelimiteerde uitgave van Callas' fameuze eerste Tosca-opname uit 1953, technisch opnieuw up to date gebracht en opgeluxed wat losse foto's van Callas als Tosca in een doosje dat wordt gesloten met twee magneetstripjes. En dan is er nog een boekje met de EMI-discografie van complete opera's met Callas: dertig stuks, een aantal in verschillende versies en live-opnamen. Het zal EMI in september relatief weinig moeite kosten om de nagedachtenis van Callas te eren met een Callas-uitgave op 80 cd's.

Tosca is wel de aantrekkelijkste opera met Callas in de titelrol: het verhaal van een wispelturige zangeres die in Rome als een leeuwin vecht voor haar geliefde Cavaradossi. De schilder is het politieke slachtoffer van de perfide politiechef Scarpia, die na de marteling tevergeefs Tosca tracht te verleiden. `Dát is de kus van Tosca!' zingt ze vol slangenvenijn, als ze hem met een briefopener dood steekt. Dan vindt alsnog de zogenaamde nep-executie van Cavaradossi plaats. `Kijk eens wat een artiest!', zingt ze met opgeluchte bewondering, als Cavaradossi zijn dood lijkt te simuleren. Maar hij is ècht neergeschoten. Tosca werpt zich van de Engelenburcht om voor God haar strijd met Scarpia definitief te beslechten.

Tosca omvat Callas' complete carrière. Het was haar eerste belangrijke professionele voorstelling (Athene, 27 augustus 1942) en haar laatste optreden in het theater (Londen, 5 juli 1965). Vijfenvijftig keer zong ze de rol op het podium, waarvan twaalf live-opnamen bewaard bleven (van Mexico 1950 tot Londen 1965). En er zijn twee officiële plaatopnamen: Milaan 1953 en Parijs 1964.

Beide opnamen hebben hun voor- en nadelen: in 1953 was Callas nog perfect bij stem, maar in 1964 werden aan het eind van haar carrière de iets geringere vocale capaciteiten gecompenseerd door een nog verdere dramatische uitdieping van haar rol. De Scarpia-rol wordt op beide opnamen op vrijwel gelijke en fenomenale wijze vertolkt door Tito Gobbi. Tussen de twee Cavaradossi's is het moeilijk kiezen, al lijkt Giuseppe di Stefano (1953) toch Carlo Bergonzi (1964) te overtreffen. Tussen de twee dirigenten is de keuze duidelijk: Victor de Sabata (1953) is superieur aan Georges Prêtre.

De Sabata en zijn orkest van de Milanese Scala speelden in 1953 duidelijk de vierde hoofdrol, Puccini's muziek wordt hier met grote kracht en dramatiek vlijmscherp neergezet. De Sabata's sidderende horror van de instrumentale begeleiding in de tweede akte is een factor op zich. Daar hoort men waarom Riccardo Chailly overeenkomsten bespeurt tussen Puccini en Mahler: het huiveringwekkende instrumentale tussendeel uit Der Abschied uit Mahlers Das Lied von der Erde (1908) kondigt zich al aan in Tosca (1900).

Het is die tweede akte waarin Tosca altijd het dramatische hoogtepunt bereikt en hier meer dan ooit door de onvergelijkelijke interactie van Callas, Gobbi, Di Stefano en De Sabata.

Tosca: EMI 5 67756 2 (2 cd)