Cultureel beleggen loont

Leningen voor culturele doeleinden vormen een veelbelovend nieuw financieel instrument voor uitvoerende kunsten en musea. Het houdt de ontvangende culturele instellingen scherp en geeft bedrijfsleven en particulieren de kans hun maatschappelijke betrokkenheid te tonen, vindt Rick van der Ploeg.

Kunstenaars zijn scheppend bezig. Een staatssecretaris van Cultuur dient de beste voorwaarden te scheppen waaronder kunst totstandkomt. Daarvoor is een nieuw instrument in het leven geroepen: cultureel beleggen. Deze vorm van beleggen biedt de Nederlandse kunstpodia en musea nieuwe mogelijkheden om zich als cultureel ondernemer te verhouden tot diverse financiële partners in de kunstwereld.

Bij mijn aantreden, in 1998, lag het accent in de gevestigde cultuurpodia en musea te veel op het aanbod. Er was een kloof ontstaan tussen volledig gesubsidieerde kunst en kunst die zich volledig op de vrije markt oriënteert. Makers en culturele instellingen die graag een mix tussen beide willen maken, vielen op die manier buiten de boot. Om daar verandering in te brengen pleitte ik voor cultureel ondernemersschap. Kunstenaars en culturele instellingen werden uitgedaagd om een betere balans te vinden tussen artistieke ambitie (de aanbodkant) en een commerciële, publieksgerichte instelling (de vraagkant). De één-op-één-relatie met de overheid, als vanzelfsprekende financier, moest plaatsmaken voor een interactie met meer partners: bedrijfsleven, particulieren én de overheid.

Cultureel beleggen is een nieuw financieel instrument voor de kwaliteitspodia voor uitvoerende kunsten en de musea. Het brengt een nieuwe relatie tot stand tussen die instellingen en particuliere beleggers, banken en overheid. Een relatie die het culturele instellingen mogelijk maakt zich dynamischer te profileren dan via een vanzelfsprekende afhankelijkheidsrelatie met de overheid.

Wil een culturele instelling subsidie, dan is een goed plan en een onderbouwde aanvraag voorwaarde. De toekenning en omvang van de subsidie zijn afhankelijk van de instantie die deze toekent. De culturele lening is een lening tegen een lager rentepercentage dan de marktrente. In feite zit er een fiscale subsidie in de rentecomponent van tweeënhalf procentpunt. Maar: bij het verkrijgen van een culturele financiering is de culturele ondernemer veel minder afhankelijk van het budget en de goedkeuring van een instituut dat subsidie toekent. Het budget is begrensd tot dat wat de culturele ondernemer kan hardmaken als rendabel aan zijn culturele financier.

Ergo: door het verschil tussen een subsidie en een culturele lening worden culturele instellingen gestimuleerd om verschillende projecten marktgerichtere benaderen. Daardoor kunnen zij deels zelf bepalen of bepaalde projecten wel of niet van de grond kunnen komen. Zij bepalen daarmee hun eigen budget. De bal ligt dus op dit moment voor een groot deel bij de culturele instellingen. Want om van cultureel beleggen een succesvol instrument te maken moeten de kunstinstellingen zich actief opstellen. De mogelijkheden liggen voor het oprapen. De nieuw- en verbouwplannen van de Nederlandse theater- en concertzalen alleen al bestrijken een bedrag van circa 500 miljoen euro. En ook het verrijken van het nationaal kunstbezit – schilderijen en muziekinstrumenten – is eerder noodzaak dan overbodige luxe.

Met cultureel beleggen zetten we de voetsporen in de maagdelijke sneeuw. Toch is het aardig te speculeren over het nieuwe beleggerspubliek. In de Verenigde Staten zag ik tijdens een werkbezoek hoe belangrijk vermogende particulieren – donateurs en leden van vriendenverenigingen – kunnen zijn voor het culturele bestel. Het maatschappelijk belang dat privé-personen hechten aan goede culturele voorzieningen maakte veel indruk op me. Als we benieuwd zijn naar de nieuwe culturele belegger, moeten we het vooral in die maatschappelijke betrokkenheid zoeken. Die vinden we namelijk ook bij beleggers in duurzaamheid. Het is inmiddels bekend dat beleggers hun geld steeds vaker steken in beleggingsfondsen die ook op andere criteria letten dan winst. En dat recent onderzoek heeft aangetoond dat duurzaam beleggen net zo rendeert als louter winstgevende projecten, is dan mooi meegenomen. Maar niet het voornaamste.

Heeft cultureel beleggen potentie? Ik vat de kredietwaardigheid – in brede zin – als volgt samen: artists (culturele instellingen), audience (publiek) en assets (vermogen) en kom uit op de bekende beleggersterm triple a.

En die rating treft alleen het allerbeste.

Rick van der Ploeg is staatssecretais van Cultuur.