Zusters in het kwaad

Door twee ongelukkig geplande afspraken moest ik zowel om elf uur 's ochtends als aan het eind van de middag in Slotervaart zijn. Om de tijd daartussenin bij wijze van compensatie voor de verloren werkdag verantwoord door te brengen had ik twee boeken en een aantekenschrift meegenomen. Maar de zon scheen en toen de eerste afspraak voorbij was, zag ik opeens in dat het urgenter was het hoofdstedelijk aanbod aan voorjaarsmode eens aan een inspectie te onderwerpen. Niet uit wufte lichtzinnigheid natuurlijk, maar omdat men toch hoort te weten wat de trends zijn; noem het couture-sociologische interesse. Bovendien had ik nieuwe schoenen nodig – stevige stappers, dat spreekt vanzelf. Dus nam ik de tram terug naar het centrum.

Terwijl ik bij de halte stond te wachten, kwam er een Marokkaanse vrouw met drie opgeschoten dochters aan wandelen. Ze liepen gezellig gearmd met zijn vieren, de breed uitgedijde, in een vormloos gewaad gehulde moeder tussen haar ranke meisjes in. Ik had de tijd hen een beetje te observeren, want lijn 2 liet op zich wachten. De dochters waren ongeveer zeventien, vijftien en dertien. Alleen de twee jongsten droegen hoofddoeken. De oudste had weliswaar een ragfijne, zwarte voile over het haar, maar die was boven op haar hoofd samen met de donkere haarvracht tot een elegante knoedel geknoopt. Ze droeg zwarte laklaarzen met stilettohakken en een slank gesneden, modieuze jas. Aan de kleding van de twee andere meisjes viel de invloed van de moeder nog af te lezen. De middelste droeg een ouwelijk, goedkoop winterjasje en de jongste een te ruim geblokt jack op een lange, geruite rok. Hun doeken waren degelijk over het voorhoofd gedrapeerd.

In de zo goed als lege tram zoemde en kirde het even later van hun ingetogen, zangerige Arabisch.

Ik stapte uit in de Van Baerlestraat, trakteerde mezelf op een broodje en wijdde me daarna plichtsgetrouw aan mijn taak, die nog heel wat voeten in de aarde had en me zo opslokte, dat ik aan het eind van de middag nog net op tijd in een tram naar Slotervaart kon springen – met een paar niksige sandaaltjes en een onweerstaanbaar bloesje als uitkomst van mijn verkenning.

Het was bomvol in die tram. Voetje voor voetje voortschuifelend naderde ik een bank waarop drie meiden gierend van het lachen over elkaar heen hingen.

Ik herkende ze aan de haarknot van de oudste dochter. Zij had haar jas half uit – het was intussen warm geworden – en toonde een spannend topje, dat, als je goed keek, naar wens door een zwart vestje aan het oog onttrokken bleek te kunnen worden. De andere twee hadden geen hoofddoek meer om. Ze droegen het lange, zwarte haar los en vooral de middelste zat daar voortdurend met een hand doorheen te kammen, het hoofd naar achteren schuddend als een volleerde vamp. De moeder was nergens te bekennen. De jongste had haar jack op haar knieën en zat in een roze T-shirt met schulprandjes aan de mouwtjes. Ze hield steeds een zakspiegeltje voor haar gezicht. Ze waren nu alledrie flink opgemaakt. De oudste twee hadden donkerrode lipstick op, de jongste felroze, en hun wangen straalden van een rouge vol goudglitters.

Over hun schouders heen kon ik zien wat de slappe lach had veroorzaakt: ze zaten een folder van een bekend ondergoedmerk door te bladeren en waren bij de aanschouwelijk in beeld gebrachte mannenstrings aangekomen. Maar misschien waren de opmerkingen van een in het middenpad staande jongen, die belangstellend meekeek, nog leuker.

Al snel echter haalde de middelste een klein doosje uit een draagtasje, priegelde daar een kettinkje uit met een fonkelend rood hart eraan en liet het voor het gezicht van haar jongste zus heen en weer bungelen. Die begon haar fanatiek te stompen.

,,Maar ik doe hem dus vrijdag om'', zei de oudste.

,,En ik zondag'', riep de jongste.

De andere twee begonnen te lachen. Het middelste meisje wreef het jongste over de arm.

,,Aai, spekbiggie, aai spekbiggetje'', zei ze. Haar zusje zat nog vrij ruim in het babyvet.

De jongen in het middenpad raakte hiervan helemaal door het dolle heen en begon brutaal mee te aaien, maar kon een optater van de drie meiden samen in ontvangst nemen.

Op dezelfde halte waar we een paar uur geleden gezamenlijk ingestapt waren, stapten we nu weer uit. De drie meisjes liepen niet direct weg, maar bleven even in de buurt van de halte rondhangen. De twee jongsten trokken hun hoofddoeken ergens vandaan en knoopten die nogal slordig om. Daarna kwam er een pakje papieren zakdoekjes tevoorschijn. Met het zakspiegeltje erbij begonnen ze zorgvuldig hun wangen en lippen af te vegen.

Vervolgens zetten ze er flink de pas in. De oudste liep op haar dunne, hoge hakken als een mannequin op de catwalk. De twee anderen waren daartoe nog niet geoutilleerd en gaven haar zo goed mogelijk partij, maar kwamen niet in dat pittige ritme.

Ze gaven elkaar geen arm. Daar was kennelijk hun moeder voor nodig.