ZUID-AFRIKA ALS JACHTVELD

In arme landen wordt het talent weggezogen door internationale instellingen. De Zuid-Afrikaanse minister van Onderwijs Asmal luidt de noodklok.

`Een nieuwe vorm van imperialisme.' Zo noemt de Zuid-Afrikaanse minister van onderwijs Asmal de plannen om onderwijs als een vrij te verhandelen product te beschouwen, in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Met een Oxfordaccent, hele woorden inslikkend en dan weer theatraal articulerend, legde professor Kader Asmal op 19 maart in de Haagse Nieuwe Kerk uit waarom. Zijn publiek was het internationale gezelschap dat bijeen was voor een conferentie ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Nuffic, over The global higher education market. Na afloop vond hij tijd voor een gesprek.

Er is een wereldmarkt voor hoger onderwijs ontstaan en de Zuid-Afrikaanse minister is er niet gelukkig mee. ``Universiteiten uit het noorden komen nu naar ontwikkelingslanden om er geld te verdienen, niet om het maatschappelijke doel. Dat kun je imperialisme noemen.''

De universiteiten zoeken winstgevende activiteiten over de grenzen, door studenten uit het buitenland te halen of zelf naar het buitenland toe te gaan, en in samenwerkingsprojecten met het bedrijfsleven. De landen die daarmee het meeste succes hebben Engelstalige landen met alom erkende diploma's zoals de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Australië zouden graag zien dat meer landen hun grenzen openstellen voor hun `product'. Ze hebben daartoe voorstellen ingediend bij de Wereldhandelsorganisatie.

Is niet elke bijdrage aan het hoger onderwijs meegenomen?

Asmal: ``Absoluut niet. In Aziatische landen ligt het misschien anders, daar kunnen overheden de vraag naar hoger onderwijs onmogelijk aan. Maar dat geldt niet voor ons. Wij hebben zelf de infrastructuur en de capaciteit om goed hoger onderwijs te bieden. Maar dat dreigt te worden uitgehold door het buitenlandse aanbod.''

Zuid-Afrika is een waar jachtveld van Engelse, Australische universiteiten en business-administrationopleidingen. Toen er een eind kwam aan de apartheid vluchtten blanke studenten weg van de grote universiteiten. Protesten van zwarte studenten tegen wanbeheer door de bestuurders van universiteiten en technikons voedden het wantrouwen tegen het publieke onderwijs nog meer. Er lagen prachtige kansen voor private en buitenlandse initiatieven. Tot drie jaar geleden ontving het ministerie van Onderwijs jaarlijks zo'n zeshonderd aanvragen om universiteiten te mogen vestigen. Zuid-Afrika telt nu driehonderd private instellingen voor post-secundair onderwijs.

Asmal: ``Het gevaar voor alle arme landen is dat hun eigen hoger-onderwijsstelsel erodeert doordat de beste studenten en docenten uit de publieke sector worden weggezogen naar private, vaak buitenlandse instellingen. Ze kunnen docenten meer betalen, en studenten zijn bereid vier keer zoveel voor hun opleidingen neer te leggen.'' Stropen noemt de minister het, poaching.

``De verleiding voor private ondernemingen om aan die ontwikkeling mee te doen is groot, omdat onderwijs nu een handelsproduct wordt. Dat leidt tot academische programma's die niet gemaakt zijn om bij te dragen aan intellectuele, culturele, maatschappelijke doelen, maar om er winst mee te maken. Veel van de opleidingen uit Engeland of Australië zijn niet eens van het niveau waarmee de student op post-graduate niveau in die landen zelf door zou kunnen studeren.

``Sommige buitenlandse instellingen werven uitdrukkelijk blanke studenten en ondermijnen het doel van de-racialisering van universiteiten. Soortgelijke problemen gelden in alle arme landen. We moeten wel meedoen aan de globalisering, anders raken we gemarginaliseerd. Maar de vraag is hoe we meedoen. Als onze nationale doelen niet voorop staan, gaan we aan de ongelijke machtsrelatie onderdoor. Dat gevaar dreigt, zeker als in WTO-verband afspraken gemaakt worden over onderwijs als over een verhandelbaar product.

Wat kunt u doen tegen vestiging van buitenlandse universiteiten?

``Sinds ik in 1998 minister werd, heb ik geleerd dat een overvloed aan maatregelen niet werkt, omdat we toch geen toezicht kunnen houden op de naleving ervan. En volgens de grondwet hebben buitenlandse universiteiten of andere onderwijsaanbieders het recht om zich in Zuid-Afrika te vestigen. Maar ze moeten zich registreren als bedrijf. Sommige daarvan vinden dat niet leuk. De kwaliteit van de opleidingen wordt getoetst. Als ze slechts één opleiding aanbieden, bijvoorbeeld Business Administration, mogen ze zich geen universiteit noemen. We maken het buitenlandse universiteiten ook moeilijker door de eis dat ze hun onderwijs zelf verzorgen en niet uitbesteden aan een Zuid-Afrikaanse partner. Private aanbieders mogen helemaal niet meer samenwerken met publieke universiteiten. Ze vragen een collegegeld dat drie of vier keer zo hoog ligt als in de publieke sector. Wat ze deden was een relatie aangaan met een publieke universiteit die daarvoor een deel van het collegegeld kreeg. Die publieke instelling kwam dan ook nog aankloppen voor overheidssubsidie. Precies wat hier nu gebeurt en die arme minister van u grote problemen bezorgt. Ik ben er heel hard in geweest, ik heb er een eind aan gemaakt.

``Overigens beginnen studenten zich te realiseren dat de faciliteiten van de private sector vaak niet zo goed zijn. Ze zijn aangewezen op de bibliotheken van de publieke universiteiten, docenten werken slechts part-time. Het enthousiasme voor de private sector lijkt over de top heen.''

De Wereldbank redeneert dat private investeringen in het hoger onderwijs arme landen kunnen helpen.

``Ja, en dat de overheden zelf op zaken als onderwijs en welzijn moeten bezuinigen. Dat is funest voor ons. De Wereldbank stelt dat een student de overheid 44 keer zoveel kost als een lagere-schoolleerling. Dat is waar, maar dat moet je zien als een continuüm. De enige manier om armoede aan te pakken is door de toegang tot het hoger onderwijs te vergroten. De Wereldbank denkt dat je dat krijgt door meer private cursusaanbieders, maar dat leidt tot afkalving van het publieke aanbod, dat ernaar streeft ook voor arme studenten toegankelijk te zijn. Een goed beurzensysteem van de overheid is de enige oplossing. De kritiek daarop is dat je zo de middenklasse subsidieert in plaats van armoede te bestrijden. Dat is niet waar. Sinds 1993 hebben we 300.000 zwarten en ook arme Afrikaners met beurzen aan een hogere onderwijsopleiding geholpen. Dat geld halen we nu terug door inkomstenbelasting. Als je een goed beurzensysteem hebt, ben ik niet tegen welfarism.''