Zand, zand, zand

Ik ben op IJburg geweest, of nee, laat ik het breder aanpakken: ik ben in Amsterdam geweest. Achter het Centraal Station werd ik opgepikt door Martin Melchers. Hij is 57. Hij praat makkelijk (fysiotherapeut) en zijn onderwerp is de natuur (tevens stadsecoloog). In beide hoedanigheden heeft hij een vaste aanstelling, ze betalen ongeveer even goed.

Eerst naar een onduidelijk terreintje tussen de Spaarndammerbuurt en het IJ. Het leek me nauwelijks groter dan een voetbalveld, het werd in ieder geval volledig ingesloten door stedelijke bedrijvigheid.

Het was die dinsdagmiddag kil en regenachtig, kleffe aarde stulpte zich om onze laarzen. Uiteindelijk vonden we een kievitsnest, vier camouflage-eitjes keurig bij elkaar, en er scheen ook een kleine plevier te broeden – die cirkelde met benauwde roepjes om ons heen.

Dus zo'n terreintje ligt een paar jaar braak en die vogels grijpen hun kans, zij willen wel.

,,Er valt in Amsterdam best wat te genieten'', zei Martin, ,,maar je moet je niet hechten, je moet nooit al je kaarten op één gebiedje zetten.''

Toen de stad uit, onder de randweg door, over een brug heen, IJburg op.

En daar stonden we dan en we keken om ons heen en we zagen een heleboel zand. ,,Toch imposant'', zei Martin, ,,hoe de mensen hun wil opleggen aan de natuur.''

Het IJsselmeer, wees hij, 40 kilometer water. Pampus. Het Vuurtoreneiland. Durgerdam. De Rembrandttoren, de Breitnertoren, de Mondriaantoren, kolossale grafzerken op de einder. Er zat nog veel meer regen in de lucht.

Daar ongeveer, wees hij, heeft het proefeiland gelegen. Dat was nodig om te zien hoe het zand moest worden opgebracht. Kokmeeuwen en visdiefjes hadden er onmiddellijk kolonies gevestigd. Maar dat is inmiddels allemaal opgeslokt door het eerste wooneiland. Het werk in volle gang. Het eerste gebouw staat aan de rand, een telefooncentrale van de KPN, popelend om te worden ingeschakeld. Meer naar het midden, als de stuurhut van een schip, verrijst het betonskelet van de eerste woningen; in oktober moeten ze klaar zijn.

Vorig jaar, zei Martin, zaten er opeens een kleine honderd oeverzwaluwen. Ze groeven hun nesten in een zandwandje dat was opgeworpen voor de bouw van een brug. De aannemer was toen zo vriendelijk geweest eerst maar een andere brug te bouwen. En dat was eigenlijk het enige wat een stadsecoloog hier te melden had.

Het referendum was op 19 maart 1997. Het aantal tegenstemmers overtrof ruimschoots het aantal voorstemmers, maar volgens de regels van het spel hadden ze toch verloren. Wethouder Stadig verklaarde ontzettend blij te zijn met de uitslag en duizenden watervogels, die 's winters op het IJmeer hun thuis hadden, konden naar wat anders gaan omkijken. Ja jongens, dat is democratie.

Bouwterreinen brengen dynamiek in de natuur, je ziet er verschijnselen die normaal beperkt blijven tot de veranderlijke landschappen langs zeekusten of rivieroevers.

,,Als je in Amsterdam geboren en getogen bent'', zei Martin, ,,ben je met spuitvelden opgegroeid.'' Voor hem, dat was duidelijk, zaten er goede herinneringen aan vast.

Dat begon al bij het opspuiten zelf, die gapende spuitmond die schijnbaar een gladde zandvlakte uitbraakte, maar in werkelijkheid al wat structuur aanbracht: een schelpenbankje hier, een watergeultje daar. En dat moest dan zeker vijf jaar blijven liggen om zich te zetten. Vaak werd dit tien jaar, soms wel twintig en in het Westelijk Havengebied, toen Amsterdam zich zo op haar economische mogelijkheden had verkeken, nog langer. (,,Ja, een recessie'', zei Martin opgewekt, ,,recessies kunnen een godsgeschenk zijn.'')

Zand dat diep uit de aarde werd gehaald, zand zonder zaadjes, dus het duurde even eer dat begroeid raakte. Op de kale vlakte vestigden zich kluten, visdieven en strandpleviertjes. Als die werden verdrongen door een pioniersvegetatie, kwamen er kleine plevieren, kieviten en scholeksters voor in de plaats. Soms een explosie van orchideeën. Rugstreeppadden, alsof ze uit de lucht kwamen vallen. De eerste muizen, en dan zag je ook al gauw de eerste torenvalken, ransuilen, kiekendieven. Blauwborst, sprinkhaanrietzanger en snor in de eerste wilgjes. De eerste varens tussen de bomen. Rietgors, waterral en slobeend in de eerste rietvelden. En intussen werd, heel vaag, het slotenpatroon van de onderliggende polder weer zichtbaar.

Een schitterend, langzaam vorderend proces van natuurlijke successie – ik ben me ervan bewust dat het hiermee maar gebrekkig beschreven is. Dit is geen biologie uit de studeerkamer. Dit is ongeveer wat Martin Melchers vertelde toen we over de Diemerzeedijk liepen, dit is ongeveer wat ik, terwijl we daar liepen, wist te noteren. Het gaat ook niet om de punten en komma's, het gaat om de passie.

Maar op IJburg was zelfs daar geen plaats voor. Hier is het zandpakket laag voor laag, heel gelijkmatig, opgebouwd. Hier zijn verticale drains geplaatst om de snelst mogelijke ontwatering te garanderen. Hier zijn kortom de nieuwste technieken gebruikt en dat is natuurlijk ook een verhaal, maar niet het mijne.

Het eerste jaar opspuiten, het tweede bouwen, het derde wonen – dat is een dynamiek waarop de natuur geen antwoord heeft. De illusie van natuurlijke successie moeten we hier laten varen.

Hier kunnen we meteen aan binnentuintjes met merel en houtduif gaan denken, en aan platte daken waarop misschien ook wel een vogel wil broeden, en aan nestkastjes voor zwaluwen en vleermuizen, dieren die nog goed van pas zouden kunnen komen bij de insectenplagen die hier te verwachten zijn – maar ja, die voorzieningen moeten bij de bouw al worden aangebracht en dan zegt de aannemer: zwaluwen maken mijn huizen vuil.

Goed, we liepen de Diemerzeedijk af.

IJburg en de Diemerzeedijk, het nieuwste landschap van Amsterdam pal naast het oudste. Zeven, acht eeuwen lang heeft dat daar gelegen, nauwelijks door mensen beroerd, zelden betreden. Zelfs toen de stad er in 1963 haar afval en gif begon te storten, bleef het een uithoek, een oase van rust.

Van grote ouderdom getuigt de fauna met een uitbundige ringslangenpopulatie en een tableau van twaalf muizensoorten, waaronder heel zeldzame. Dit was, zo onder de rook van Amsterdam, een uitzonderlijk rijk natuurgebied en dat moet het nu maar eens zien te blijven.

We liepen de dijk af en op mij maakte die de indruk van een lichaam waarvan de huid was afgestroopt. Aan de ene kant had je de contouren van een park voor toekomstige IJburgers – 45.000 mensen, hoeveel honden zouden dat wel niet zijn? Aan de andere kant, in een smalle strook tot aan het Amsterdam-Rijnkanaal, een restantje natuur: rietvelden, waterplasjes, wilgenhout.

,,Straks til je daar een plank op en dan krioelt het van de ringslangen'', zei Martin. Hij attenteerde me op het zangetje van een blauwborst en bracht me naar de hoogspanningsmast waar vorig jaar een havik had zitten broeden. ,,Ik tel mijn zegeningen'', zei hij. ,,Mij hoor je niet klagen.''

,,Wat niet wegneemt'', zei ik, ,,dat je langzaam gewurgd wordt.''

Want wat wil de stad van haar ecoloog? Als je niet zegt dat er veel verloren gaat, nemen ze geen maatregelen. Als je niet zegt dat er nog veel over is, nemen ze je het laatste ook nog af.

Martin keek me aan. Hij knikte en begon te lachen. Hij is gelukkig opgewekt van zichzelf.