`Totale ecologische erosie'

Minder dieren en planten, grootschalige sterfte en kokkelvissers die rustig hun gang kunnen blijven gaan. Het geduld van wadbioloog Theunis Piersma is op. `De Waddenzee is de laatste jaren systematisch kapot gemaakt.'

Ook deze winter, de derde op een rij, spoelden weer massa's dode eidereenden aan in de Waddenzee en langs de Noordzeekust. Volgens wadbiologen, die vogeltellingen uitvoeren uit laagvliegende vliegtuigjes, zijn er 10.000 tot 15.000 eidereenden gestorven. Twee jaar geleden kwamen ten minste 21.000 eidereenden in de Waddenzee van honger om. De massasterfte is des te opmerkelijker omdat deze beesten gemakkelijk 40 of 50 jaar oud kunnen worden en statistisch gezien elk jaar 90 tot 95 procent kans hebben om het volgende jaar te halen. Oorzaak van de grootschalige vogelsterfte is de industriële schelpdiervisserij in de Waddenzee, die sinds 1983 de status van Staatsnatuurmonument bezit.

In het wetenschappelijke tijdschrift Biological Conservation concluderen twaalf Nederlandse Wadbiologen, afkomstig uit de hele breedte van het Nederlandse onderzoeksveld, dat de eidereenden zijn verhongerd als gevolg van tekorten aan zowel mossels en kokkels in de Waddenzee als strandschelpen in de Noordzee. De onderzoekers schrijven dat overbevissing van mossels en kokkels in de Waddenzee al sinds de vroege jaren negentig heeft geleid tot een structurele achteruitgang van de voedselbronnen voor de eidereenden in de Waddenzee. De vogels moeten uitwijken naar secundaire voedselbronnen in de Noordzee, zoals de halfgeknotte strandschelp (Spisula), maar ook die is inmiddels door de commerciële visserij ontdekt. Voor de vangst van Spisula's heeft het ministerie van Natuurbeheer net weer een nieuwe vergunning afgegeven.

De eidereendensterfte wordt al 30 jaar landelijk geregistreerd, aanvankelijk vanwege de stookolieslachtoffers. ``Twee jaar geleden werd de toestand dramatisch'', zegt ecoloog Theunis Piersma van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel en mede-auteur van het rapport. ``Je zag die uitgehongerde beesten het water uitkomen en tegen de dijk opkruipen. Ze liepen hier letterlijk voor mijn raam langs, alsof ze aan de deur kwamen vragen of er nog wat te eten viel.'' De eenden waren broodmager. ``Door dat dikke verenkleed zie je dat niet meteen, maar als je ze oppakt wegen ze bijna niks'', zegt Piersma. ``Het borstbeen steekt uit als een scherpe kam, zonder vet er onder. De grote vliegspieren zijn bijna verdwenen.'' En doordat hun verenkleed enigszins lek raakt komen de dieren het water uit en kruipen weg onder een struik. Ook op het strand lagen veel dode eenden. ``Er zijn veel beesten afgevoerd die niet eens geteld zijn, want men vond het geen leuk gezicht voor de toeristen.''

Sectie wees uit dat veel dieren vol darmparasieten zaten. Ook waren er aanwijzingen dat er erg veel krabben waren geweest, die als `tussengastheer' dienen voor diezelfde parasieten. Volgens de schelpdiervissers waren die parasieten, en niet het voedselgebrek, de oorzaak van de vogelsterfte geweest: de eiders waren zo stom geweest om te veel krabben te eten. Maar dat is pertinent onjuist, zegt Piersma. Het artikel in Biological Conservation sluit darmparasieten als oorzaak uit. Ook van olievergiftiging, toxische stoffen, virus- en bacterie-infecties was geen sprake. Piersma: ``Ook gezonde eidereenden hebben van nature een hele dierentuin aan parasieten bij zich. Dat hoort er gewoon bij. Jonge dieren hebben meer parasieten, oudere ontwikkelen meer weerstand. Parasieten zijn geen doodsoorzaak, zelfs geen nevenoorzaak. Als een eend doodgaat aan parasieten zonder dat er sprake is van voedseltekort zou je verwachten dat het beest al sterft terwijl hij nog op zijn gewone gewicht is. Maar alle dood gevonden beesten waren juist verschrikkelijk mager. Ze wogen 40 procent minder dan normaal voor de tijd van het jaar. Er is geen enkel vet beest dood aangetroffen.'' Bovendien zagen de onderzoekers geen enkele relatie tussen het gewicht van de dode eenden en de hoeveelheid parasieten in hun lichaam. En ze vonden veel dode eenden die helemaal geen parasieten in hun lijf hadden. Piersma: ``De schelpdiervisserij blijft onze onderzoeksresultaten afdoen als zomaar een mening waar andere meningen tegenover staan. De visserijbiologen vinden alle onderzoeksresultaten die niet in hun straatje passen flauwekul. Zij bedrijven een gecorrumpeerd soort wetenschap. Maar wij hebben dit nu grondig uitgezocht en gepubliceerd in een gezaghebbend vakblad.''

Piersma's levenswerk bestaat uit het ontrafelen van de trekwegen van steltlopers, hun energiehuishouding en populatiedynamica. Daarnaast houdt hij zich bezig met uitgebreide studies van het voedselweb in de Waddenzee. In 1996 kreeg hij als eerste Nederlandse ecoloog een miljoenensubsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) om een groep promovendi om zich heen te verzamelen en een Pionierproject (Persoonsgerichte Impuls voor Onderzoeksgroepen met Nieuwe Ideeën voor Excellente Research) te starten. Tot zijn opmerkelijkste vondsten behoort de ontdekking van een speciale sensor in de snavel van kanoeten, waarmee deze steltlopers prooidieren in de modder kunnen opsporen via echoscopie. Afgelopen winter noemde de Russische bioloog Pavel Tomkovich een nieuw ontdekte ondersoort van de kanoet Calidris canutus piersmai, als eerbetoon aan zijn Nederlandse collega.

vogelsterfte

Naast een grote stapel wetenschappelijke publicaties schrijft Piersma ook voor een breder publiek. Zijn vorig jaar verschenen boek `Goudplevieren en wilsterflappers' werd een bestseller. Maar zo langzamerhand groeit de frustratie hem boven het hoofd. Voortdurend loopt de wadbioloog tegen de problemen in de Waddenzee aan. ``We zijn nu veertien jaar bezig met monitoren en in die veertien jaar constateren wij een totale ecologische erosie van het Waddengebied. Afnemende soortenrijkdom, vogelsterfte en veranderingen in de verspreiding, afnemende aantallen doortrekkende vogels, afnemende bodemfauna. Om te beginnen zijn de eidereenden, door honger gedreven sinds 1990 massaal uit de Waddenzee naar de Noordzee vertrokken. Van de circa 100.000 eidereenden die uit het gebied rond de Oostzee in ons land komen overwinteren, zit tweederde inmiddels niet meer in de Waddenzee, maar in de Noordzee en de Oosterschelde.'' Ook andere schelpdiereneters hebben het moeilijk. Door chronisch voedselgebrek is de Nederlandse scholeksterpopulatie de laatste 10 jaar met 35% achteruitgegaan. ``Die beesten krijgen de grootste klappen omdat zij het meest plaatstrouw zijn'', zegt Piersma. ``Ze zitten hier zomer en winter. Met name jonge scholeksters in de Waddenzee sterven de hongerdood.''

Ook de populatie kanoetstrandlopers begint nu achteruit te kachelen. De kanoetstrandloper is eveneens een schelpdierspecialist, maar veel flexibeler. Hij gebruikt heel West-Europa als leefgebied en is daardoor minder kwetsbaar. Maar ook de kanoet krijgt het nu moeilijk. Op dit moment zijn de aantallen in heel West-Europa lager dan ooit. De kanoetstrandlopers die in de Waddenzee en elders in West-Europa overwinteren broeden in Noord-Groenland en Noordwest-Canada, maar verblijven van begin augustus tot eind april in West-Europese Waddengebieden.

Uit Piersma's onderzoek aan individueel gekleurmerkte kanoeten wordt duidelijk dat er voortdurend sprake is van uitwisseling tussen de Deense, Duitse, Nederlandse en Britse gebieden. Kanoeten zijn voortdurend op sjouw, op zoek naar het schaarse voedsel, om de eindjes aan elkaar te knopen. Volgens het meest recente overzicht van de aantallen kanoeten op de Britse eilanden, waar in januari ten minste driekwart van alle overwinterende vogels te vinden is, lopen de aantallen daar sinds het begin van de jaren '90 terug. Piersma: ``Die snelle aantalsafname van kanoeten en scholeksters in Oost-Engeland wordt zonder pardon toegeschreven aan overbevissing van schelpdieren, mogelijk in combinatie met het optreden van warme najaren die de `broedval' van schelpdieren negatief zou beïnvloeden. De rosse grutto gaat eveneens achteruit. Kortom, het hele ecosysteem wordt uitgehold. Dat zeggen de vissers trouwens zelf ook.''

Regionale kranten meldden dat de mosselvissers alle mosselbroed die voor de winter niet groot genoeg is om te oogsten illegaal uit de Waddenzee weghalen en overbrengen naar Zeeland. De laatste overgebleven mosselen in de Waddenzee worden 's winters door de vissers zelfs uit kleine bootjes tegen de hongerige vogels beschermd, in strijd met alle regels. De Algemene Inspectie Dienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij slaagt er echter nooit in iemand te betrappen. Ook niet toen vier kokkelvissers vorig jaar september het natuurreservaat De Schorren van Natuurmonumenten bij Texel omploegden. Zo'n actie levert een opbrengst van zo'n 100.000 gulden op. De boete die daar tegenover staat is een lachertje, namelijk 1.000 gulden, niet te betalen aan justitie, maar in een eigen potje van de schelpdiersector. Natuurmonumenten was woedend.

Wadbiologen hadden geadviseerd om in schrale winters met weinig schelpdieren een bepaalde hoeveelheid schelpdieren te reserveren voor de vogels, namelijk 400 procent van hun calorische voedselbehoefte. Die slag om de arm was nodig omdat niet alle aanwezige schelpdieren ook echt door de vogels worden gevonden en gegeten. In de politieke vertaalslag in den Haag is deze 400 procent vertaald naar 60 procent: de schelpdiervissers moeten zoveel kokkels laten liggen dat de vogels in 60 procent van hun voedselbehoefte kunnen voorzien.

Onlangs heeft Piersma staatssecretaris Faber van Natuurbeheer een brief geschreven waarin hij meldt dat zelfs acht jaar nadat een plek door de kokkelvissers is bezocht nog schade zichtbaar is aan het sediment. De broedval van schelpdieren is ter plekke sterk verminderd. Piersma: ``Zelfs die kokkels kunnen niet tegen dit gerag. De levensgemeenschap krijgt geen rust. Je ziet al die subtiele rijkdom verdwijnen. Al die bodemvisserij werkt verruigend. Vergelijking met oude sedimentmonsters uit de jaren tachtig wijst uit dat het sediment in de Waddenzee steeds grover en zanderiger is geworden.'' De Waddenzee verandert in een grote, uniforme zandbak, waarin exotische soorten snel oprukken, zoals de Amerikaanse zwaardschede en een klein Amerikaans wormpje. Deze beesten zijn voor steltlopers nauwelijks te eten. Hun opmars zal het herstel van de Waddenzee bemoeilijken.

Macro-economisch gezien is de schelpdiervisserij, waarvoor de wadplaten worden omgeploegd, marginaal, maar voor enkele ondernemers is het uiterst lucratief. Sinds de jaren tachtig zijn het motorvermogen en de vaarsnelheden van de schelpdiervissers met een factor 10 tot 100 toegenomen. Piersma: ``Dit kun je echt geen `vissen' meer noemen. Waar we het over hebben is het met veel mechanisch geweld opbaggeren van die kokkels. Het is onbegrijpelijk dat dit nog steeds onder dezelfde vergunning valt die zo'n 15 jaar geleden is afgegeven.'' De vissers hebben geen last meer van de mosselbanken waaraan ze vroeger hun netten scheurden, want die zijn binnen twee winterseizoenen volledig weggevist en nooit meer teruggekeerd. Al eerder waren de uitgestrekte zeegrasvelden en de oesterbanken met hun opvallend rijke, kwetsbare levensgemeenschappen uit de Waddenzee verdwenen.

rotsmoes

``Je ziet dat de Waddenzee inmiddels voor driekwart kapot is gemaakt. En intussen mag mevrouw Faber dan zo'n internationaal biodiversiteitscongres toespreken'', gromt Piersma. ``Juist zij heeft de afgelopen vijf jaar toegestaan dat de Waddenzee systematisch kapot wordt gemaakt, met als rotsmoes dat er eerst meer onderzoek nodig is naar de effecten van de industriële kokkelvisserij.'' De resultaten van dit onderzoek worden in 2003 verwacht en tot zolang kunnen de kokkelvissers hun gang gaan in de Waddenzee. Piersma vindt het onbegrijpelijk dat de bewijslast voor het aantonen van ecologische schade momenteel bij de natuurbeschermers ligt. ``Voor een ecosysteem dat zo goed wettelijk beschermd is als de Waddenzee zou je verwachten dat de bewijslast voor het ontbreken van de ecologische schade van kokkel-baggeren bij de visserij-sector zou liggen.''

Afgelopen winter hebben de kokkelvissers de oostpunt van Griend, het vogeleilandje van Natuurmonumenten, tot op de hoogste wadplaten omgeploegd. De wadslakjes, het laatste reservevoedsel voor de kanoeten, zijn daarbij verdwenen. ``Werkelijk niet te geloven'', zegt Piersma. ``Het voorzichtigheidsbeginsel geldt hier niet de natuur, maar alleen de vissers. Waarom mogen de vissers hun gang gaan zolang het onderzoek naar de schade loopt?''

Volgens Piersma is de keuze om de Waddenzee als natuurgebied te behouden er een van principiële aard. ``Het beste dat we kunnen doen is het ecosysteem zo goed mogelijk verdedigen tegen onnatuurlijke invloeden, ook als er maar geringste twijfel over die invloeden bestaat. In het licht van de tamelijk uitbundige literatuur over de negatieve effecten van bodemverstoring op het zeebodemleven is nieuw wetenschappelijk onderzoek in de Waddenzee eigenlijk overbodig. Sterker nog, bij de vele tientallen gerefereerde artikelen over effecten van bodemberoerende activiteiten op het zeebodemleven ben ik nog nimmer een verhaal tegengekomen waarin geen negatieve effecten van bodemvisserij op levensgemeenschappen worden beschreven.''

Intussen zitten de kokkelvissers hun tijd uit. Piersma: ``Het zijn geen specialisten. Nu er weinig meer te halen valt worden sommige kokkelschepen omgebouwd tot garnalenschepen. Die bedrijven maken het gebied kapot en hopen daarna te worden uitgekocht. Het zijn multinationals, als er hier niks meer te halen valt gaan ze ergens anders heen. En intussen bedienen ze een grote, intimiderende pr-machine, waartegen bijna niemand zijn mond open durft te doen. Dat zo'n overbevissingsdrama zich kan afspelen in de nationaal en internationaal uitmuntend beschermde Waddenzee tart iedere fantasie.''