STRUBBELINGEN (I)

Over het algemeen verloopt de toekenning van koninklijke onderscheidingen in Nederland zonder al te veel gedoe. Zelfs mensen die voorheen verklaarden zich wederom vooral niet gepasseerd te voelen en niets om een lintje te geven, kunnen de tranen van geluk maar nauwelijks wegslikken, als het dan toch zo ver is. Anderen stellen zich iets minder bescheiden op en beklagen zich openlijk over hun lintjes-loosheid. Rudi Carrell, de Nederlander die als televisiepresentator furore maakte in Duitsland, gaf meermalen in interviews aan dat hij meende aan de beurt te zijn. Vorig jaar werden zijn bedes dan eindelijk verhoord en werd hij Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Datzelfde overkwam Richard Kraijcek na zijn overwinning op Wimbledon in 1996. Zijn benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw zette hier en daar kwaad bloed. De Orde zou zijn exclusiviteit verliezen als sporters worden toegelaten, zo meenden puriteinen. Twee Ridders van de Orde zouden hun onderscheiding uit protest zelfs hebben ingeleverd.

Gemor was er ook toen de Tweede Kamer in 1996 voor de beslissing stond de automatische toekenning van lintjes aan volksvertegenwoordigers af te schaffen. In de oude situatie kon men na tien jaar kamerlidmaatschap het rokkostuum uit de kast halen voor de uitreiking. Het kabinet wilde de regeling houden zoals zij was, de Kamer wilde leden slechts decoreren bij `bijzondere verdiensten.' Uiteindelijk kwam er een compromis: volksvertegenwoordigers die langer dan tien jaar in het parlement hebben gezeten, krijgen een lintje, maar wel pas na hun vertrek. Voor raads- en Statenleden geldt een termijn van twaalf jaar. Overigens vinden een aantal politici het onzin dat zij gemakkelijker in aanmerking komen voor een onderscheiding dan de gemiddelde burger. Zo is van Kok bekend dat hij er niets voor voelt gedecoreerd te worden.