Rotganzen

,,Dat van die rotganzen, dat is onzin'', schreef Koos van Zomeren in zijn rubriek De Levende Have (zaterdag 13 april). De schrijver vertelde dat hij na lezing van mijn boek 'Ingenieurs van de Ziel' een `ganzenprobleem' had opgelopen. Hij was gestruikeld over wat ik het `ornithologische raadsel' noem: het `plotselinge en onverklaarde' (dus niet: `onverklaarbare' zoals Van Zomeren mij foutief citeert) wegblijven begin jaren dertig van een in Nederland bekende wintergast: de Siberische rotgans. Van Zomeren: ,,Ze werden, zo verklaart Westerman het onverklaarbare (sic), gewoon doodgeknuppeld door de uitgehongerde gevangenen van Stalin.''

Waarover geen verschil van mening bestaat: de rotgans overwintert in Noordwest-Europa, en broedt in Noord-Siberië. In de jaren dertig daalde de populatie van boven de 200.000 tot onder de 20.000, een terugval die samenviel met de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 en met de abrupte verdwijning van het zeegras, tot dan toe stapelvoedsel voor de rotgans. Van Zomeren haalt een vogelkenner aan die dit mysterie in 1976 voorgoed uit de wereld zou hebben geholpen: het zeegras was weggevaagd door een ziekte, de Afsluitdijk voorkwam dat deze plant zich kon herstellen, de rotgans stierf de hongerdood. Niks geen `ornithologisch raadsel', stelt Van Zomeren.

Helaas voor hem: er woedt wel degelijk een discussie onder ornithologen over de populatieschommeling van de rotgans in de vorig eeuw. Sinds de val van de Sovjet-Unie heeft de Pools-Duitse vogelkenner Eugeniusz Nowak voor opschudding gezorgd door nieuwe gegevens te publiceren die de `zeegras-hypothese' ondermijnen. Nowak wijst op de kolonisatie van Ruslands Hoge Noorden met Goelag-dwangarbeid, waar Stalins gevangenen in jachtbrigades nesten leeghaalden, en vervolgens de ruiende rotganzen (die dan gedurende een week of drie niet kunnen vliegen) samendreven in een soort fuiken, doodknuppelden en diepvroren als aanvulling op het schamele kamprantsoen. Naast een schat aan Sovjet-archiefstukken haalt Nowak ook ooggetuigen aan van zulke `massavangsten' van rotganzen op de kusten tegenover Nova Zembla.

In Norilsk (een in 1932 gestichte mijnbouwstad boven de poolcirkel) en langs het Witte Zeekanaal ten oosten van Finland (waar de overtrekkende ganzenformaties met behulp van bordkartonnen lokvogels worden bejaagd) stuitte ik op lokale jagers en Goelag-overlevenden die Nowaks stelling bevestigden. In mijn boek schrijf ik: ,,Met hun afnemende getal vertelden de rotganzen als eerste het nog onbekende verhaal van de Goelag, ze waren destijds een unieke indicatorsoort.'' Niets meer en niets minder. De twist onder ornithologen gaat niet over de vraag of de Goelag-expansie de stand van de rotgans negatief heeft beïnvloed, maar in welke mate.

En wat de rotganzen betreft: het gaat sinds de sluiting eind jaren zestig van de laatste kampen in de poolstreken weer goed met ze; ze blijken bovendien heel goed bij ons te kunnen overwinteren zonder zeegras. De dieren vreten zich vol aan de wintertarwe, dus als er iemand een ganzenprobleem heeft, dan toch de boeren achter de Waddendijk.