Quichotterieën

Cervantes' `Don Quichot van La Mancha' is een klassieker in het kwadraat, beaamt Pieter Steinz in deel 17 van zijn stoomcursus literatuur.

In de Good Fiction Guide (Oxford University Press, 2001) definieert John Sutherland de klassieken als `boeken van auteurs wier naam als bijvoeglijk naamwoord is ingeburgerd'. In dat licht is Don Quichot van Miguel Cervantes de Saavedra een classic in het kwadraat: zowel de auteur als de hoofdpersoon is spreekwoordelijk geworden. Een breed opgezette, satirische avonturenroman kun je `cervantesk' noemen; een naïeve idealist (zo een die tegen windmolens vecht) is een `Don Quichot' in de literatuur en in het echte leven.

De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, dat in 1605 (deel 1) en 1615 (deel 2) in Spanje verscheen, geldt als de eerste moderne roman van de wereldliteratuur. Het verhaal van de man die beneveld raakt door de ridderromans die hij leest, en die als dolend anachronisme Oost-Spanje doortrekt, is in de eerste plaats een tragikomische avonturenroman over een naïeveling in de boze buitenwereld. Daarnaast is het een satire op de vroegmoderne Spaanse samenleving en een filosofische roman waarin de verhouding tussen fictie en werkelijkheid op losse schroeven wordt gezet. Don Quichot ziet windmolens voor reuzen aan en een lelijke boerendochter voor de schone Dulcinea; zijn geestelijke vader Cervantes doorspekt zijn roman, en vooral het tweede deel, met ironisch commentaar, verwijzingen naar de auteur (`die Cervantes is bedrevener in het maken van brokken dan van verzen') en parodieën op het verhaal zelf.

Don Quichot is het prototype van het gelaagde boek, leesbaar als kinderverhaal én als studieobject voor academici. Geen wonder dat schrijvers uit alle eeuwen en alle culturen het als hun ideale boek hebben gezien. Niet alleen Spanjaarden en Zuid-Amerikanen – onder wie de Colombiaan Alvaro Mutis, die afgelopen dinsdag de prestigieuze Cervantes-prijs kreeg – lieten zich inspireren door de `Ridder van het Droevige Gelaat'; maar ook Engelsen (Sterne, Fielding), Fransen (Flaubert, Proust) en zelfs Russen (Gogol, Dostojevski). Herman Melville, die in Moby-Dick met kapitein Ahab de grootste Don Quichot van de 19de eeuw schiep – zij het een minder onschuldige – noemde Quichot `de wijste wijze die ooit leefde'; daarbij heel toepasselijk voorbijgaand aan het feit dat de Don een product van de verbeelding is.

In de Nederlandse literatuur is het wat moeilijker om de donquichotterieën of cervanteske romans aan te wijzen. Bordewijks Bint? Te beknopt en rechttoe rechtaan. Hermans' Donkere kamer van Damokles? Dan moet je erg doorgraven. Multatuli's Max Havelaar? Tot op zekere hoogte; het is een humoristische roman met een idealistische hoofdpersoon en nogal wat meta-literaire grapjes. De enige andere Hollandse Don Quichot die me te binnen wil schieten is Ollie B. Bommel, de stuntelende held van het oeuvre van tekenaar-schrijver Marten Toonder, die aanstaande donderdag zijn 90ste verjaardag viert. Samen met zijn eigen Sancho Panza, Tom Poes, ging Heer Bommel tussen 1941 en 1986 meer dan 170 keer zijn eigen eenzame weg om de wereld te verlossen van onrecht en kwaad: `Hier ligt een mooie taak.' Toonder bedreef satire, excelleerde in tragikomedie en had een ongebreidelde fantasie. Alleen van postmodern commentaar over fictie en werkelijkheid heeft hij zich altijd verre gehouden. Opdat wij begrepen wat hij bedoelde.

Volgende week (4 mei) `De donkere kamer van Damokles'

Pieter Steinz: ps@nrc.nl