PET-SCAN HELPT OM NUT VAN OPERATIE BIJ LONGKANKER TE BEPALEN

Een PET-scan van de longen van patiënten met niet-kleincellige longkanker kan bij één op de vijf patiënten een zinloze operatie voorkomen. Dat blijkt uit een in Noordhollandse ziekenhuizen uitgevoerd onderzoek onder auspiciën van het Integraal Kankercentrum Amsterdam (The Lancet, 20 april).

Vanouds is de helft van de operaties bij niet-kleincellige-longkankerpatiënten, achteraf gezien, zinloos, omdat de patiënt toch kort daarna aan zijn longkanker sterft. Voor het welzijn van de patiënten zou het goed zijn om de mensen bij wie een operatie niets verbetert van te voren te kunnen aanwijzen, want de laatste levensmaanden worden zwaarder en onaangenamer als de patiënt een ingrijpende operatie heeft ondergaan.

Longkankerpatiënten hebben een flinke kans snel aan hun ziekte te sterven. Mensen met niet-kleincellige longkanker hebben van hen nog de beste kansen. In de Eindhovense kankerregistratie (de oudste in Nederland) overleeft 44% van de mensen met niet-kleincellig longkanker het eerste jaar na de diagnose. Terwijl van de patiënten met – door de patholoog te onderscheiden – kleincellig longkanker 29% na het eerste ziektejaar nog in leven was. Na vijf jaar zijn de overlevingscijfers 18% respectievelijk 5%.

Bij het onderzoek in Noord-Holland was de vraag of toevoeging van een PET-scan aan de diagnostiek in de dagelijkse praktijk de uitkomst van een operatie beter voorspelt. Positron emissie tomografie (PET) is een beeldvormende techniek (zoals CT-scan, MRI en echo) waarbij de patiënt een snel-vervallend, lichtradioactief stofje slikt (18-fluordeoxyglucose in dit geval). Het radioactieve fluor geeft positronen af. De PET-scanner is in staat om de plaats waar het positron in het lichaam is ontstaan precies te lokaliseren. Verschillende onderzoekers hadden al laten zien dat longkanker en de uitzaaiingen ervan met de PET-scan goed vast zijn te stellen.

De onderzoekers beschouwden een operatie als zinvol als de patiënt minimaal één jaar zonder ziekte overleefde. Als tijdens de operatie pas blijkt dat een ernstige uitzaaiingen heeft, of juist aan een goedaardige ziekte lijdt, dan werd de operatie ook als zinloos geregistreerd.

In de groep die conventionele diagnose onderging voordat de operatiebeslissing werd genomen onderging 41% van de patiënten een operatie die achteraf als onnuttig werd beschouwd. In de groep waarbij ook de resultaten van een PET-scan meetelden was 21% van de uitgevoerde operaties overbodig. Onder ruim 90 patiënten die een PET-scan kregen werden er 32 niet geopereerd. Van de ongeveer evenveel patiënten die conventioneel werden gediagnosticeerd werd bij 18 mensen van een operatie afgezien. Het resultaat komt er op neer dat vijf patiënten een PET-scan moeten ondergaan om bij één van hen een overbodige operatie te voorkomen. Tot nu toe werd zwaar op de CT-scan geleund om te beslissen over de operatie. In een derde van de gevallen gaven PET-scan en CT-scan tegenstrijdige uitslagen en meestal had de PET-scan het achteraf gezien bij het rechte eind. De PET-scan is een nuttige toevoeging, vinden de onderzoekers, maar maakt alle andere diagnostiek niet overbodig.