Mythes doorprikken en Oranje dienen

De oervaders van de Nederlandse geschiedvorsing waren niet bepaald saaie ambtenaren. De een was een bastaard van een stinkend rijke vader die vergat zijn fortuin aan hem over te maken en de ander was een parvenu met een zwak voor neo-latijnse liefdesgedichten. Ik heb het over Arnoldus Buchelius (1565-1641) uit Utrecht en Petrus Scriverius (1576-1660) uit Leiden. Hun betekenis voor de ontwikkeling van de historische wetenschap in de Lage landen is niet gering, en des te merkwaardiger is het dat eerst nu een studie naar hun leven en werk is verschenen met Geschiedenis als ambacht van de Amsterdamse historica Sandra Langereis. Dit boek is de handelseditie van een proefschrift dat zeker gerekend kan worden tot de meer belangwekkende historische dissertaties van het afgelopen jaar. Het gaat hier om een rijk, boordevol en interessant werk dat goed leesbaar is, ondanks de vaak erg lange alinea's.

Een van de aardige aspecten van Geschiedenis als ambacht is dat Langereis duidelijk maakt dat het historisch onderzoek van Michiel Baud naar het verleden van vader Zorreguieta niet de eerste keer was dat een Nederlands historicus het vaderlands vorstenhuis uit een netelig parket moest redden. Sterker nog: de Oranje-dynastie is in zekere zin gegrondvest op het werk van Scriverius en Buchelius. Stadhouder Frederik Hendrik, de zoon van Willem van Oranje en in 1625 opvolger van zijn broer Maurits, koesterde bepaald vorstelijke ambities, en was ervan overtuigd dat historici hem daarbij konden helpen. Hij had vrijwel alles bereikt wat hij wilde: de erfopvolging had hij erdoor gedrukt via de aktes van survivance in 1631 en 1639, zijn kapitale paleizen en andere optrekjes straalden een niet mis te verstane allure uit, en in het buitenland werd hij al met `hoogheid' aangesproken. Maar wat Frederik Hendrik miste, was een verleden, en in het bijzonder een vorstelijk verleden met een genealogie en heraldiek die pasten bij zijn aspiraties.

Om dat verleden te vinden of uit te vinden werd de hulp van geschiedvorsers ingeroepen. In 1638, wellicht op advies van zijn secretaris Constantijn Huygens, engageerde de stadhouder de geleerde Petrus Scriverius uit Leiden, een van de twee befaamde `oudheidkundigen' van zijn tijd. Deze voelde wel hoe glad het ijs is waarop een koninklijk historicus zich begeeft, en wendde zich prompt voor advies tot de andere geschiedkundige beroemdheid in die dagen, Arnoldus Buchelius uit Utrecht. In hun onderlinge correspondentie toonden de heren zich overigens erg kritisch over het door het hof voorgestelde wapenschild van de Oranjes, dat volgens hen geheel ten onrechte de prinselijke kroon in plaats van het veel minder aanzienlijke grafelijke wapen droeg. Maar zoals dat gaat, kwamen zij uiteindelijk met een geschiedkundig rapport dat bij Frederik Hendrik in de smaak viel.

In elk geval riep het Oranje-hof enkele jaren later ten tweede male de hulp in van Scriverius toen er historische kolen uit het vuur moesten worden gehaald. Frederiks zoon Willem II zou in 1641 in het huwelijk treden met de elfjarige Maria Stuart, maar dan diende het Engelse koningshuis er eerst nog van overtuigd te worden dat de jongste dochter niet in de handen van een parvenu zou vallen. Scriverius kreeg het dringende verzoek een stamboom en wapenteken voor Willem te vervaardigen met zo lang mogelijke historische wortels. Zijn Utrechtse collega Buchelius had bij het eerste vorstelijk onderzoek al in norse bewoordingen laten weten dat hij liever niet betrokken wilde raken bij de geschiedkundige wensen van de Oranjes. Maar de Leidse Scriverius wilde best nog wat spitwerk ondernemen voor Frederik Hendrik, wellicht omdat hij als remonstrant diens gematigde godsdienstpolitiek wel kon waarderen.

Zeker is dat Buchelius en Scriverius de historische helden van hun tijd waren, en dat zij als `oudheidkundigen', mythen-doorprikkers en bronnenvorsers een bijzonder belangrijke rol hebben gespeeld in de prille verwetenschappelijking van het geschiedkundig onderzoek in de Lage Landen. Langereis beschrijft omstandig en met oog voor detail de bepaald niet saaie geleerdenlevens van Buchelius (advocaat-in-ruste met de doopnaam Aernout van Buchell) en Scriverius (als koopmanszoon geboren met de naam Pieter Schrijver en ook bezorger van poëzie door zijn leermeester J.J. Scaliger, Janus Dousa en Janus Secundus). Bovendien plaatst zij hun werk helder en zonder witwasserij of verdoezeling van de tekortkomingen in de context van de politieke en gewestelijke belangen die ermee waren gemoeid. Scriverius was immers een vurig propagandist van de `Bataafse mythe' die de oudheid en prominentie van de Hollandse gewesten voorstond, en Buchelius verdedigde in zijn werk de middeleeuwse grandeur van Utrecht en omstreken. Daarnaast is er in dit boek echter ook veel plaats ingeruimd voor de opkomst en neergang van het soort onderzoek naar het verleden waar de twee hun leven aan hebben gewijd: de `antiquarische' geschiedvorsing.

Buchelius en Scriverius worden gezien als een soort aartsvaders van de Nederlandse geschiedwetenschap. Dat is niet onterecht. In elk geval waren zij de eerste full-time historici in de Lage Landen. Maar dat is niet hun enige verdienste. Met zijn postuum, verschenen editie van de middeleeuwse Hollands-Utrechtse kronieken van Johannes Beka en Wilhelmus Heda legde Buchelius zoiets als de grondslag voor de filologisch-kritische houding jegens oude teksten. En Scriverius schreef niet alleen in 1612 met zijn Beschrijvinghe van out Bataviën de eerste geschiedkundige best-seller van ons land, maar bood met zijn Principes Hollandiae, et Westfrisiae uit 1650 bovendien een monumentaal voorbeeld van een geschiedkundige bronneneditie.

Desalniettemin beseften beide dat zij aan hun levenslange vorswerk niet `de titel van Historicus' konden ontlenen, zoals Scriverius dat zelf omschreef. Zij waren in de eerste plaats `oudheidkundigen', onderzoekers van de antiquitates, dus van de tastbare overblijfselen, en geen humanistische woordkunstenaars die in door de klassieken geoliede taal een omvattende en wijsgerige visie op de historia te boek stelden. Buchelius en Scriverius waren kortom geschiedvorsers van het type dat door de moderne overschatting van de literaire geschiedschrijving (à la Johan Huizinga) naar de schaduwzone van het vakgebied is gedrongen. Het beeld van de antiquaren als pedante feitenschrapers en erudiete betweters die letterkundig tekortschoten, heeft geleid tot een schromelijke veronachtzaming van hun betekenis voor de geschiedwetenschap.

Als omslagpunt in deze historiografische misstand wijst Langereis terecht op het fameuze artikel van Arnaldo Momigliano uit 1950, `Ancient history and the antiquarian', waarin deze invloedrijke oudhistoricus een lans brak voor een fundamentele herwaardering van de antiquarius. Elders in Europa heeft dat sedertdien geleid tot hernieuwde belangstelling voor de nijvere vorsers, en Geschiedenis als ambacht mag in die jonge traditie worden bezien. Buchelius en Scriverius hadden het slechter kunnen treffen. Na lezing van dit boek ontkomt men nauwelijks aan de gedachte: move over Huizinga.

Sandra Langereis, Geschiedenis als ambacht. Oudheidkunde in de Gouden eeuw: Arnoldus Buchelius en Petrus Scriverius, Historische Vereniging Holland / Uitgeverij Verloren 2001, 368 blz. ISBN 90-70403-48-X. Prijs €27